Ik II

Ik ben
Een vallende ster

Ik val me te pletter

Verschroeiend
Adembenemend
Veel te snel
Om gegrepen te worden

Mijn wens
Overgeslagen

Ik heb
Zo weinig tijd

Ik heb geen tijd om te leven

Astronomisch
Stoffig
Vele lichtjaren te oud
Om rust te vinden

Mijn halte
Verpulverd

Ik

Ik dool
Nu al
Nevel
Achterdocht
Analyse
Vertrouwen
Zij komen samen.

De kaakslag
Van de mediocriteit
Relativiteit
Het verdriet
Van de zee
Afscheid
Illusie

Ik ben niet niets
Het is nog erger
Ik ben
Besta
Bedenk
Begrijp
Verdwijn

De depressie

Afscheid nemen van een depressie, raakt nooit voltooid. Er is eigenlijk nooit een moment, waarop je tegen jezelf kan zeggen, zo, dat ligt achter mij. De manie al helemaal niet, zij is de keerzijde, die ervoor zorgt dat je de depressie kunt blijven koesteren. Dat wil niet zeggen, dat men steeds opnieuw depressief wordt. Zo ver komt het nooit meer.

Zij is de meest verkeerd begrepen toestand, die er is. Zij wordt afgeschilderd als een vreselijke gesteltenis waardoor de dingen pijn doen, en men geen energie meer heeft. Maar in werkelijkheid, is zij een toevluchtsoord waar de dingen dover zijn, ronder, stiller. Zij is een mantel van onverschilligheid, die men zichzelf aantrekt. Zij is een heerlijk warm bad waarin men zichzelf laat glijden, waarin men zichzelf verzorgen kan, waarin men zich ontfermt over zijn wonden die geslagen zijn door de realiteit.

Zij is haast een keuze. Maar men voelt dat men haar weer moet laten.

Er is altijd dat moment, dat eindeloos wordt uitgesteld, waarop men haar moet laten.

Dit is een verscheurende gebeurtenis, alsof men zich helemaal heeft vastgeplakt in bijenwas, en zich plots moet ontvellen door zich los te trekken van een warme baarmoeder. Het is dit proces, waarvan men de littekens draagt. Niet het dal zelf. Het is ook dat proces, waarbij men zo verstrikt kan geraken in de tentakels van het eigen verlangen om daar te blijven.

Eens men eruit is, blikt men terug door een verwarrende blik van de ander; men denkt, dat men ontsnapt is. De malaise die ons alweer inhaalt, wordt vereenzelvigd met de droefheid. Tot men, jaren later, begrijpt dat de droefheid een heerlijke periode van gewichtloosheid was.
Droefheid legt niet lam, en zij staat niets in de weg. De droefheid in haar puurste vorm, die van de irrationele, voortdurend stuwende, doffe pijn, is een prachtige garantie dat men leeft. Dat men bestaat, dat men in contact staat met zijn menselijke essentie. Zij is een eer. Zij verheft ons.

Zij is het, die opdoemt, als een haast onzichtbare ondertoon bij de onnoemelijke vreugde van de geboorte. Zij is het, die ons bij de keel grijpt, wanneer wij voor het eerst de Melkweg zien. Ze is van onschatbare waarde, en laat zich niet voelen door iedereen. Ze laat zich niet uitspreken.

Zij was het, die ons opslorpte tijdens het dieptepunt. Zij was het, die ons zó dicht bij onszelf bracht, met alle liefde en tederheid die zij bezat, dat wij huiverden en beseften dat wij te klein waren om haar te bevatten.

Zij glimlachte, en liet ons gaan.

De volwassenheid II

Ik heb alles gedaan
Wat jullie zeiden.

Ik heb alles geleden
Wat jullie niet konden.

Ik heb alles gehoopt
Wat jullie beloofden.

Ik heb alles gevormd
Zoals jullie het zagen.

Zie mij
De architect
Van de waan.

Ik hou alles in stand
Wat jullie geloven.

De volwassenheid

Toen ik zelf nog leefde
Maar niet kon
tekenden zich rauwe groeven
Van woordenloze ouderdom
Omdat ik al gestorven ben
En weemoedig kijk
Kronkelen er bergen
Over een vlezig lijk
Nu de dood er is
En de angst aldus verhuisd
Stagneert alle gevoel
In een voortdurend witte ruis
De hel komt niet na sterven
En vuur heeft nog een gloed
Het is een stil bederven
Van het kolkend kind in je bloed

Een tijger

Mijn strepen had ik al
bij mijn geboorte.

Als een tabula rasa
verontwaardigd krijsend.
Een tabula razend.

Het innerlijke roeren
blijft onzichtbaar.

De taal die je ontwerpt
reikt de afstand niet.
Ontoereikend, met de nadruk op “toe”.

Was iemand maar dicht.
Nabij.
Benader mij.

De tijger onder het element vuur

De laatste tijd ben ik nogal gedestabiliseerd. De verliefdheid is een verschrikking, als men een persoonlijkheid heeft als de mijne. Het houdt een voortdurend getij in, van eb naar vloed, van eb naar vloed. Een deel wil genieten van het gevoel op zich, een ander deel lijdt omdat het slechts een gevoel is, grotendeels opgewekt door een manier van denken over iemand, en dat de verliefdheid een illusie is. Er komt altijd een tijd waarop men de ander op zijn kleinst ziet, wanneer alles in duigen valt.

Dat is het vreselijke bedrog van de verliefdheid. Het lijkt alsof zij als een paal boven water staat, alsof zij is. Maar zij is niet, zij wordt enkel ervaren. Door kwetsbaren, door eenzamen, door op een onbewaakt moment iemand iets te zien doen, prullen met een pen of krabben aan de kin, wat je ineens treft. Plots heeft die persoon iets gedaan, waardoor je aandacht gecaptiveerd is. Plots ga je onbewust letten op wat die persoon doet, en ontstaat er een zekere bekendheid, een familiariteit die warm aanvoelt.
Maar het is bedrog. Het is maar gewoon, een mens, zoals een ander. Mensen gelijken allemaal op elkaar, veel harder dan we onszelf wijsmaken. We vergewissen ons ervan dat die ene heel bijzonder is, en iets heeft wat niemand heeft, maar ook dat liegen we onszelf voor. Iedereen heeft wel iets bijzonders, namelijk.

In een relatie moet dan bovendien worden gewerkt om de idealisering van de wederhelft levend en brandend te houden; samen dingen doen, praten, emoties delen. Waarom men dat ‘werken’ noemt, is me nooit gedaagd. Ik heb dat nooit zo aangevoeld, dat ging vanzelf, en ik had me moeten inspannen, had ik iets anders willen doen dan mijn best.
Verliefdheid taant onvermijdelijk, zij vervaagt of het subject wordt als het ware vervangen. Maar zonder verliefdheid kan een relatie ook bestaan. Dat is de kille werkelijkheid van het langdurige verbond.

Dus waarom is dan de pijnlijke, woelige verliefdheid nodig? Waarom moet men zich daar doorheen slaan, moet er een wederzijdse passie zijn, om toch tot een uitgebluste en rationele verstandhouding te komen? Is het dan niet eenvoudiger om de zaken met elkaar af te spreken, en ineens tot de kern te gaan; een basis van respect, vertrouwen en een gemeenschappelijke toekomst? Dat is toch ook mooi?
Ik zou het niet missen.

Het lineaire karakter van verwachtingen

Zodra ik wakker werd, vloeide het nieuws van gisteren weer naar mijn bewustzijn en vormde zich een knoop in mijn maag. Het grootste probleem is, dat ik emotioneel bijzonder langzaam de zaken verwerk. Dus ik weet niet hoe ik mij voel, hierover. Soms krijg ik huilbuien, soms denk ik dat het allemaal waarschijnlijk heel goed meevalt, soms ben ik bang, soms ben ik opgelucht.

Vooral dat laatste voelt erg vies. Omdat ik weet dat ik daar nergens, maar dan ook nergens, mee terecht kan.

Ik wil het drama van behandeling en opname niet meer, nooit. Over sommige dingen kan ik om die reden niet praten met anderen, omdat zij zouden schrikken, of zich zorgen zouden maken, of zouden denken dat ik op één of andere manier suïcidaal ben -wat helemaal niet het geval is.
Of ik ‘gelukkig’ ben, in de strikte zin van het woord, weet ik niet. Maar ik heb het in elk geval te druk om te ervaren dat ik ongelukkig ben, dus dat is al iets.

Een deel van mij overweegt om mijn levensstijl aan te houden, zoals zij is, en hopelijk binnen een aantal jaren te overlijden. Dat ga ik natuurlijk niet doen, daarvoor ben ik veel te onderhevig aan de verwachtingen van mijn omgeving, maar een deel van mij zou het heel graag doen.

Ik heb alles gedaan, zoals het moest, na mijn opname. Ik ben terug naar school gegaan en heb een middelbaar diploma behaald. Ik heb hogere studies aangevat, en heb ook daar mijn diploma behaald. Ik heb werk gevonden met datzelfde diploma. Ik ben alleen gaan wonen, en ik heb een huisdier.
En nu? Mensen beschouwen mij, en denken “zo, die heeft alles voor mekaar”.

Het voelt allesbehalve zo. Ik voel me helemaal niet goed. Ik vind leven niet leuk. Ik vind het grootste deel van de mensen niet interessant. Elke keer ik in contact kom met iemand die aan de oppervlakte leeft, sterft een deel van me. Ik ben kwaad op mensen die leven, en de mogelijkheden van hun emoties niet nuttigen om te zoeken naar iets diepers. Maar ik ben kwaad, omdat ik jaloers ben, en daar ben ik me van bewust.
Zelf kan ik niet verhinderen dat ik tracht te achterhalen waarom ik hier ben, of dat ik de diepte van mijn eigen geest induik om op zoek te gaan naar de pijnigende plekjes die zo fascinerend kunnen zijn. Sommige mensen lijken moeiteloos door het leven te glijden, zonder enige crises of twijfels.

Hier ben ik dan, een onafhankelijke, zelfstandige vrouw die uitblinkt in haar werk. Wat moet ik doen, om gevoelsmatig te leven zoals ik als kindje altijd gedroomd had? Wat kan ik nog meer doen, om me te voelen zoals ik als kindje gehoopt had? Er ontbreken zaken, er is een voortdurend gemis in mijn hart. En het lijkt onmogelijk om het op te vullen.

Vijf voor twaalf

Vandaag sleepte ik mezelf naar de dokter. Een deel van mij wilde het nog wat uitstellen, maar het gezondere deel spoorde me aan om toch maar te gaan, voor de zekerheid. Daar zat ik dan. In een veel te nette wachtzaal met veel te intellectuele literatuur, en drie foldertjes in de handen over de artsen die in de praktijk werkzaam zijn. Sportdokters, voedingspecialisten en mental coaches. Waar ben ik in godsnaam beland. Ik wou gewoon een dokter zien.

De aanleiding voor de afspraak was een plotse opstoot van onregelmatige hartslagen en een algemeen, grotendeels intuïtief, gevoel van onbehagen. Toen ik mijn eigen bloeddruk nam, was hij, liggend op de zetel, 16 over 8. Dat leek me hoog, maar ik bedacht dat ik deze namiddag koffie had gedronken en dat ik het misschien niet goed gehoord had. Met de stethoscoop hoorde ik voorlopig niet al te veel extrasystoles.

Gelukkig was de dokter bijzonder vriendelijk en reageerde hij niet al te slecht op mijn verhaal. Mijn verleden kan nogal grauw klinken, wanneer ik mijn koele, analytische relaas doe. Ook hij nam mijn bloeddruk. 18 over 10. Tot driemaal toe mat hij het. Maar hij had zich niet vergist.
Hij printte een EKG af om de arrythmieën in beeld te brengen, maar die bleken op dat moment uit te blijven. Wel is mijn hartslag te snel, en is mijn arteriële bloeddruk fenomenaal veel te hoog.

Mijn levensstijl, is lang na mijn gebruik nog die van een junk gebleven. Slaaptekort compenseren met middelen (koffie, redbull), roken, onregelmatig eten, onregelmatig slapen, mijn bed gebruiken voor allerlei dingen buiten slapen, weinig tijd nemen om echt stil te staan bij lichamelijke signalen, … Het is tijd dat ik meer zorg draag voor mezelf. Maar dat is een bijzonder moeilijke oefening, voor iemand die dat ten eerste nooit geleerd heeft, en ten tweede doodsbenauwd is om het lichamelijke al te veel aandacht te schenken.
Mijn lichaam en haar zintuigen hebben dingen doorstaan die een kind niet kan bolwerken, waardoor mijn geest er afstand van heeft genomen. Mijn leven speelt zich af binnen mijn hersenpan, het fysieke is een feedbacksysteem maar meer ook niet.

Misschien was het ook wel een manier om de eenzaamheid minder te moeten voelen.

Van eten kan ik amper of niet genieten, het is een taak die ik mezelf moet opleggen en die ik met Spartaanse discipline binnen de perken van mijn zieke denkpatronen houd. Slapen is heerlijk, maar is geassocieerd met de angst van de insomnie. Uren voor ik ga slapen tracht ik me al mentaal voor te bereiden op het slaapritueel, wat neerkomt op uitstelgedrag tot ik bijna omval van vermoeidheid. Drinken doe ik wanneer mijn slokdarm zichzelf van binnenuit haast kapotschuurt van de droogte tijdens het slikken. Of om te helpen om eten naar beneden te duwen. Plassen doe ik wanneer ik, op een onverhoeds moment, een pijnscheut voel in mijn rechterlies. Tiens, toch even naar de WC. Kakken doe ik na mijn tas koffie ‘s ochtends, en het is quasi dagelijks veel te zachte stoelgang. Mis ik die kleine kans, dan vergeet ik de rest van de dag dat ik naar het toilet moest en is het wachten tot de ochtend erop.

Het is een schande, hoe slecht ik voor mezelf zorg. Ik kan het niet. Ik weet niet hoe het moet. Ik wou dat iemand voldoende van me kon houden, dat hij me daarin zou dragen. Maar helaas moet men zulke dingen alleen leren doen, in het leven moet je alleen kunnen zijn.
Nee, dat is zelfmedelijden. Ik zou zelf gelukkiger zijn, moest ik mezelf aanleren om beter voor mezelf te zorgen. Daar gaat het over.

Met koffie moet ik stoppen. De koffie die ik zet, na een moeizame nacht waarin ik slechts 3 uur echte slaap had, is er één met 6 grote scheppen voor één tas. Met energiedrankjes moet ik zeker ook stoppen. Mijn rust moet ik beter bewaken. En ik moet betablokkers nemen, Emconcor, om die verrekte bloeddruk naar beneden te halen voor mijn arteriën ergens via een aneurysma een weg zoeken om die absurde druk kwijt te kunnen.
Dat was wel even wakker worden.