Recht

Deze week was het teamdag. Dat wil zeggen dat wij samen moeten nadenken, hoe het nog beter kan. Verstandigere mensen dan ons komen dan spreken over hoe het eigenlijk allemaal moet. Als die mensen dan komen, dan zie ik bedenkelijke gezichten rond de kring en dan denk ik, verdorie, dit graaft de put alleen nog dieper.

Een derde fronst, een derde droomt want kan niet volgen, en het laatste derde volgt gebiologeerd. Dat zie ik, en ik denk dan, waar zit ik? Waar ben ik mee bezig?
Enderzijds keek ik ernaar uit om de verstandige mensen te horen spreken, anderzijds keek ik er tegenop om te moeten vechten voor die visie, achteraf.

Soms ben ik bang. Dat het nooit meer goed komt. Er is mij aangeleerd dat dit gaat over mijzelf, maar ik vrees een beetje dat het eigenlijk over de samenleving gaat. Ik ben er ook altijd al van overtuigd geweest dat ik een heel bijzondere bagage meedraag. Ooit heb ik dat aan iemand gezegd, maar die heeft dat totaal verkeerd begrepen, of gewoon laten passeren in het gedacht “dat gaat wel over”.
Hoe het ook zij, ik heb een aangeboren inzicht in wat “goed” en wat “niet goed” is, een ingebakken integriteitsgevoel. Mijn grootvader was een heel bijzondere man en is gestorven net voor ik geboren werd in ’85. Hoewel iedereen me gek verklaart en wil vermijden dat ik daarover begin, weet ik, dat zijn genen en zijn visie, in mij werkzaam zijn. Natuurlijk weet ik wel dat ik daar niet teveel over moet zeggen. Misschien is het wel zijn géést -nog zotter!

Of misschien is het gewoon het gedacht dat het zo is, wat mij leidt en bodem geeft. Hoe dan ook; het resultaat is dat ik heel hard probeer om de dingen goed aan te pakken.

Maar ik moet elke dag vechten. Alsof iedereen rondom mij, dommer is dan ik, de dingen minder ziet, blinder is.

Advertisements

De olifant

Het was vandaag hels. Ik werd uitgescholden, vernederd, verworpen en bedreigd. Uiteindelijk ben ik gaan schuilen bij een patiënt op de kamer, waar veel personeel bang van is. Hij verstond het meteen. “Blijf maar wat bij mij zitten, hier ben je veilig”, zei hij. De schat.

Ik ben zo fier. Zo fier op mijn beroep. Wist iemand maar, hoe wij dapper blijven doorzetten, hoe wij in de vervelende uren voor het slapengaan, nog agressie en irrationele angsten trotseren. Hoe wij doodsbang de ander gerust stellen, hoe wij proberen alles op te vangen, terwijl er maar dingen blijven vallen.
Vroeger was er op TikTak een potje dat heen en weer ging op de bodem van het scherm, en er vielen witte eieren of bollen uit de lucht die daarin werden opgevangen. Ik voel me soms dat potje, alleen vallen de eieren veel te snel en lukt het niet altijd om ze allemaal op te vangen. Soms spat er eentje uit elkaar op de vloer.

Maar ik ben ook zo fier op hen. De mensen waarvoor ik kom werken. Zij die volledig overspoeld en overwoekerd worden, genadeloos geteisterd door hun verleden. Zij die in het vagevuur leven, en nog de moeite nemen om mij te bedanken wanneer ik hen medicatie geef. Zij die vanuit de verschroeiende vlammen van hun verdriet nog oog hebben voor de dingen die ik doe, en appreciatie tonen. Zij zijn fenomenale titanen, die de beledigingen en de dwaze verwerping van onze samenleving dragen. Als immense bergen, die hoog in de lucht verdwijnen in de mist van de atmosfeer, die zij achteloos op hun schouders laten rusten, alsof het niets is.

Ik denk in het bijzonder aan een man, een erg grote man. Dat is een beetje zijn vloek. Ik noem hem altijd grappend de olifant in de porseleinkast, dat vindt hij erg toepasselijk. Zo kent hij zichzelf, zo is hij altijd verfoeid geweest tot in een hoekje van de kamer. Een hoekje, dat voor zijn goedaardige hart veel te klein was.
Hij mag echter niet vergeten, dat de olifant het tederste, verstandigste dier in het dierenrijk is. De grote olifant kan met zijn slurf het allerkleinste bloemetje plukken. De olifant in de porseleinkast zal niets breken.

Ik werk voor helden en heldinnen. Elke dag.