Ketting

De boeken die ik langzaam maar zeker vergaar, beginnen te lijken op een wanhopige berg informatie. Een ondoordachte blik zou kunnen besluiten dat ik een leemte tracht op te vullen, dat ik op zoek ben, naar iets wat een gemis kan aanvullen.
Het tegendeel is waar. Wel ben ik op zoek naar de exacte grenzen van de leemte, ik wil precies weten, waar dat ding zich bevindt, dat zich niet laat weten. Volgens Wouter Kusters ligt daar de waanzin, hij beschrijft alles wat niet in woorden past als iets wat ons afschrikt en doet deinzen.

Dat klopt denk ik niet, en Clarissa Pinkola Estés treedt me daarin bij. Er is een hele, grotendeels vrouwelijke, intuïtieve wereld, die evenmin gegrepen kan worden door de taal -toch niet de taal die zich vormt door letters en semantiek. Maar er zijn veel talen. Een vrouw kan haar levensverhaal vertellen aan een andere vrouw, met haar ogen. Er zijn de zogenaamde “buikgevoelens” en beangstigende dromen, die op de koop toe uitkomen. Ook dat is informatie, alleen is de manier waarop die informatie tot ons komt, niet zo conventioneel.
Het is moeilijk om daarover te praten, en het wordt almaar moeilijker. De steeds biologischer gerichte geneeskunde geeft ons een erg ongezond, eenzijdig zicht op de wereld en ons (innerlijke) leven. Spiritualiteit en intuïtie raken hierdoor verdrongen. Al heel jong voelde ik dat, en alle crises die ik op latere leeftijd doormaakte, waren het resultaat daarvan. De wereld waarin ik opgroeide, voldeed niet aan wat mijn sterke intuïtie nodig had. Er werden mij geen verhalen verteld door wijze vrouwen die de symboliek ervan meester waren.
De leegte schrikt niet langer af, wanneer je je bewust wordt van je vele bijkomende zintuigen. De leegte is dan voor jou niet meer pikzwart, want al zie je niks, je voelt het wel.

Het hoeft niet allemaal per se zo eng te zijn. Het leven. Vaak wordt erover gesproken als een eindeloze reeks onbegrijpelijke gebeurtenissen, bikkelharde willekeur. Een kind dat dood geboren wordt, een geliefde die onverwachts overlijdt, trauma’s in de jeugd. Omdat we ons focussen op onszelf, ons eigen verdriet, ons eigen pad, verliezen we ons in het gejammer om wat er -volgens ons- fout loopt. Onze verlangens verworden tot een verwachting.
Dat is erg ongezond. Daar zijn wij niet voor gemaakt. Dat heeft me een depressie opgeleverd, die jaren heeft aangesleept.
De controle over het leven zouden wij niet aankunnen, en toch blijven we doen alsof we het kunnen inrichten naar ons eigen goeddunken. De dingen die anders lopen dan we hadden gewild, maken ons kwaad en geven ons een gevoel van machteloosheid. Die machteloosheid is in de kern nochtans ook wat ons vederlicht maakt, volstrekt onschuldig, zoals alle andere dieren.

Het is een dagelijkse oefening om me hiervan bewust te blijven. “Mijn verhaal” bestaat niet, er is alleen ons. Het Leven, het Systeem, de hele planeet.
Ik besta slechts, als het hele universum bestaat. Ik kan maar zijn, en denken, en bestaan, omdat de aarde rond de zon tolt.

Skelet

Het is alsof alle liefdesverdriet dat ik ooit had, opnieuw duidelijk laat voelen dat zij hier woont. Zij klopt op de muren, slaat met de deuren en heeft alle ramen schreeuwend opengezet. Ik ben hier nog.

Waarom vandaag, dat is me een mysterie. Het is de cyclus van het leven en het afsterven, maar vlak voor het sterven komt nog de levensstrijd. De twijfels, de tranen (die droog zijn), het wringen in je sternum. Daar, vanbinnen, waar het merg je hele fysieke wezen zit te brouwen. De druk lijkt zo groot, dat je botten wel eens zouden kunnen ontploffen.
Waar moet ik heen, om geborgen te worden? Wat me omringt, zijn onherbergzame rotsen waar de stormachtige zee tegenaan loopt met een suïcidale vastberadenheid. De scherpe regen voelt aan als stekels, klauwtjes die me jennen, allemaal tegelijk. De wind jaagt hen in alle richtingen tegen mijn huid. Mijn geestelijke wereld is nu een onverbiddelijke toendra voor zover het oog reikt.

Mijn binnenste heeft honger. Het is zo lang geleden dat een warme hand zich voorzichtig rond mijn hals legde, het gewoon maar wilde aanraken. Dat mijn lijf leek te passen in de palm van iemands hand, volledig.

De winter loopt op haar einde, en de echte, zieke, oude delen van de ziel worden door de aanhoudende koude uiteindelijk de nek omgedraaid. Er is geen haast, zegt de winter berustend. Wacht maar, je zal wel zien. Met de zekerheid van een entiteit die al miljoenen jaren lang haar taak volbrengt, valt zij neer op het landschap van je innerlijke roeren. Ze vleit zich daar, schaamteloos, onverstoorbaar. De delen die moeten sterven, weten dat alles op alles staat. Zij is hier, om hen te doden. Zij zal hen vernietigen.

Ik wacht, en ik laat de winter toe. Ik laat alles verkillen, ik laat het vast vriezen, ik laat de meren en de beken zich sluiten. Geen beweging meer, alles moet vast. Zo vast, dat het benauwd wordt. Haar genadeloze vuist sluit zich, tergend langzaam, om mijn ziel. Oogverblindend wit, krakend van de vorst. Ik kan niets doen, maar dat wil ik gelukkig ook niet. Ik geef mij over aan haar.
Want daarna zal zij mij belonen met het loslaten, met een diepe zucht. In één snelle beweging, zullen haar knokels van wit weer naar roos gaan, van het warme bloed dat zich naar haar vingertoppen stuwt. Levenskracht, fluïditeit en warm licht zullen de ruimte weer vullen. En alles wat nog overblijft, is hoop. De rest heeft zij het zwijgen opgelegd.

Hoop, en moed. Het skelet van het leven. Daar is de Lente.

Razend

Soms kom ik thuis en moet ik van verbazing even in de zetel gaan zitten en het allemaal tot mij laten komen. Ik woon alleen, met een kattin die ik goed verzorg, in een uitermate gezellig, mooi en net appartement in het centrum. Ik kom uit de kosten, ben zelfs zodanig zuinig dat ik veel overhoud. Ik heb een job waar ik elke dag trouw naartoe ga, en ik doe het goed. Met plezier en passie, zelfs.

Tien jaar geleden, dacht iedereen (mezelf incluis) dat ik mezelf van het leven zou ontnemen, dat ik nooit iets zou bereiken of dat ik heel mijn leven ziek zou blijven. Men zat met de handen in de haren rond mijn casus, zich af te vragen wat er ooit van mij zou worden. Hoe is het mogelijk, dat mensen zo hebben getwijfeld. Hoe is het mogelijk, dat niemand me ooit over het hoofd heeft geaaid en heeft gezegd “maak je niet teveel zorgen, met jou komt alles helemaal goed, je moet naar hen niet luisteren”. Dan was ik tenminste gerustgesteld geweest.
Vandaag maak ik er een punt van, om te zeggen dat alles goed komt. En ze zeggen dat je geen beloftes mag maken en dat je zo’n dingen niet mag zeggen want je weet dat toch niet zeker. Maar dat weet je wel. Want als je iemand ervan overtuigt dat alles goed komt, dan is dat ook zo.

Het is niet zo simpel om mezelf daar tijdig krediet voor te geven. Mezelf schouderklopjes geven is zeker geen gewoonte, ik vind het erg belangrijk om zeer kritisch te blijven. Complimentjes krijg ik van anderen wel, naar mezelf toe mag ik eerlijk, streng en veeleisend zijn. Eigenlijk moet dat wat gebalanceerder.

Wellicht kom ik nooit te weten, wat me zo ziek heeft gemaakt. Waarom ik zo kwaad en verwijtend op mijn opvoeding terugblik. Waarom ik op mijn zesde al met suïcide bezig was, waarom ik diep ongelukkig was, waarom ik zo onhandelbaar werd dat mijn ouders me uit handen moesten geven. Het ging me gelukkig nooit om het pijn doen van anderen, ik had veel te vroeg al veel te veel inlevingsvermogen om te stelen, fysiek aan te vallen of te dealen.
Het object van al mijn frustraties werd ik zelf. Ik heb mezelf verwond, verwaarloosd en gestraft voor mijn verdriet. Vandaag, nu mijn ouders als wezels en vol bewondering over mij spreken, valt het mij zeer moeilijk om dit te aanhoren. Zij, die mij steeds hebben genegeerd toen ik met existentiële vragen zat, die mij steeds hebben gezegd dat ik abnormaal was, die elk gesprek over mijn gevoelens hebben geblokkeerd en gesmoord. Zij die mij hebben laten opgroeien in een hel van eenzaamheid en emotionele verwaarlozing, zij bestoefen nu mijn carrière bij familie en vrienden.

Een basale loyaliteit dwingt mij om daar deugd van te hebben. Een deugd waar ik zelf van walg, die ik niet wens te voelen. Ze hebben me tekort gedaan, maar nooit beseft hoezeer ze me daarmee hebben gekwetst. Ik was problematisch en dat was voor hen heel gemakkelijk.
Uiteindelijk heb ik hen genezen, maar ik krijg daar geen erkenning voor.

Zo heb ik er altijd over gedacht. Maar soms denk ik ook, dat ik misschien een zeer moeilijk kind was, dat slim en manipulatief kon zijn. Dat meer doorzettingsvermogen had dan haar ouders, dat haar willetje doordreef. Ik was een bron van ruzie, discussie en onrust.
Maar soms denk ik ook dat ik een verstandig kind was, dat al snel terechte kritiek kon formuleren op haar ouders. Mijn zeer dominante, onzekere vader had enorme moeite met mijn vroege in vraag stelling van zijn autoriteit. Zeer vroeg wist ik zelf wat ik nodig had, en richtte ik mijn leven in zoals mij dat juist leek. Hun bijdrage was daarin overbodig. Ik vertrok, de velden in, met mijn kater Flanel die mij overal volgde. Bedtijd was wanneer de zon onder ging, en ik het gevoel had dat het tijd was om te slapen. De helft van mijn kindertijd zat ik opgesloten in mijn slaapkamer. Mijn recht tot eigengereidheid was een onderwerp van discussie dat ik voortdurend moest bewaken, dat werd niet spontaan gerespecteerd. Tot ik mijn eigen slaapkamersleutel vond (ik observeerde mijn moeder en wist al snel in welke schuif ik moest zijn) en ervoor koos om me daar terug te trekken. Knettergek werden zij daarvan, dat ik de controle zo wist te stelen. Hoe mijn vader de deur bijna inbeukte, omdat hij niet kon verdragen dat ik bepaalde wanneer hij wel en niet binnen mocht.
Hoe ouder ik werd, hoe meer ik aan hem ontsnapte en tussen zijn vingers door glipte.

Tot hij op een bepaald moment opgaf, en zelf ziek werd. Tot hij besefte dat ik op eigen kracht uit mijn put klom. Ik had hem niet nodig, hij had mij nodig. Wat ik van hem verdragen heb, heeft me beschadigd en hem gered. Toen ik oud genoeg was om op eigen krachten het huis te verlaten en bijna nooit thuis te zijn, kon hij zich niet meer op mij richten. Mijn tienerjaren bracht ik door bij veel oudere vrienden thuis, die al alleen woonden of in een vrijere omgeving opgroeiden.
Radeloos alleen, heb ik hem gedwongen om zijn fouten in te zien en er keihard op te botsen.

Razend was ik, jaren aan een stuk.

Dat is nu beter, maar de relaties blijken toch onherstelbaar gebroken. Zijn aanraking kan ik nauwelijks verdragen, eigenlijk niet. Nog steeds probeert hij die af te dwingen, wat bij mij automatisch binnenkomt als een hardnekkige poging om zijn wil door te drijven -zoals ik hem ken. Wat voor de buitenwereld een onschuldige wangkus lijkt, is voor mij een foltering met een hele geschiedenis van ongewenste nabijheid.

Dat heb ik overleefd.

En nu leef ik.

Schild en vriend.

Wat is de wereld toch een verschrikkelijke plek, als je er echt bij nadenkt. Het wordt bevolkt door zij die het Schild der Onverschilligheid tot hun beschikking hebben. En dan zij, die dat niet hebben, en zich -al dan niet moedwillig- laten raken. Veelal gebeurt dat onbewust, en zij worden ziek of psychotisch. Of zo. Maar er zijn er ook, zoals mezelf, die in vol bewustzijn blijven kiezen voor de kwetsbaarheid. Die het, met alle wetenschap van de gevolgen, allemaal tot zich laten komen.

Met graagte laat ik me raken, laat ik me kwetsen desnoods. Het is voor mij fijner om gekwetst te worden, dan om genadeloos ongetroffen te blijven en anderen pijn te doen. Mogelijks zit daar een erg zieke overtuiging in, dat ik anderen daarmee een dienst bewijs. Misschien is dat niet zo.
Maar het moest maar eens zijn, dat ik op die manier een ander laat zijn, die is zoals ik. Het moest maar eens zijn, dat ik op het juiste moment een medemens kwetsbaar laat zijn, op een draaglijke manier. Dat is het voor mij waard.

Vaak voelt het aan als een juk. Iets wat ik ongevraagd heb opgedragen gekregen door mijn opgroeien. Maar eigenlijk moet ik daar niet onnozel over doen, want ik heb daar wel voor gekozen. Ik heb keuzes gemaakt die het mij mogelijk maakten, om zo te blijven. Want ik wil -of kan?- niets anders zijn, dan dit.
Telkenmale ik op die tweesprong kom, van het kiezen voor de onverschilligheid, of de zaken gewoon over mij te laten walsen, dan kies ik dat laatste. Met een behoorlijk gebrek aan aarzeling misschien.

Gewillig laat ik mij onder de guillotine leggen, liever dat, dan dat ik ooit iemand dat aandoe. Er zit geen pijn in mij, die ik iemand anders kan opleggen. Er zit enkel heel veel pijn in mij, die ik draag. Voor of door anderen.
Misschien is dat wel erg jezuïet.

Of misschien is dat wel veel normaler dan de mensen die ik om mij heen zie. Misschien is dat wel, hoe vroeger iedereen was. Met een gemak en een vanzelfsprekendheid, die de pijn van het menselijke bestaan ook deproblematiseerde. Het katholicisme, dat vaak het verwijt krijgt van veel te veel met leed bezig te zijn, is misschien wel gegroeid uit dat algemeen aanvaarde besef; het leven doet verrekte pijn en niemand moet daar zo lichtzinnig over liggen doen.

Waarom is het zo onmogelijk geworden, om dat te omarmen? Wat is de mens verloren, over de eeuwen heen, dat hij vandaag niet met zelfvertrouwen kan zeggen dat hij normaal is?
Ha neen, wij moeten UNIEK zijn. Dat is erg belangrijk.

Belangrijker nog, dan een deel van een geheel zijn. Het individu is totaal buiten proportie aan belang gaan winnen. Het overstijgt de gemeenschap, het sociale netwerk, de context. De ziekte wordt in diezelfde gedachtengang ook geïsoleerd tot het probleem van één persoon, het ligt nooit aan de bredere sociale omgeving. Een stoornis in de hersenen, is het, een onevenwicht in de neurotransmittors. Jij zieke, dysfunctionele mens. Hoe durf jij falen in deze samenleving waarin alles kan. Je hebt de mogelijkheden, die wij jou bieden, verloochend. Luilak.

Het is de Hel op Aarde. Niet meer dan dat.

En het wordt alleen maar erger.
Of zal het uiteindelijk toch tot een halt worden geroepen? Door een groeiend aantal psychiatrische patiënten -die, laten we nu even niet belachelijk doen- veel dichter verwant zijn met wat de mens echt inhoudt; pijn, empathie, gevoelens. Pijn. Vooral dat. Het bewust ervaren van psychische pijn, het door en door voelen van wat ons kwetst, het inzien en het aanvaarden van die pijn. Dat dat helemaal niet zo erg is, dat men dat niet uit de weg moet gaan. Dat is levend zijn.

Men zegt altijd bij een sterfgeval; nu heeft hij/zij rust. Zo hoort dat ook. Het leven biedt geen rust. Daar is het ook niet voor gemaakt. Het is ontworpen om ons te confronteren met alles wat verdriet doet; anderen, die eerder heengaan naar de rust, situaties, omstandigheden, die ons laten lijden. Het leven is een kortstondige episode van hechting, intens geluk (misschien drie keer per leven), en heel veel droefheid. Frustratie. Kwaadheid. Angst.
Onzekerheid. Willekeur.
Maar toch ook dat intense geluk, dat dan zo fel afsteekt tegen al de rest. Het zien van de Melkweg. De geboorte van een kind. Niet in te ruilen, niet te vervangen, prijsloos.
Prijsloos.

We ploeteren nog altijd maar wat in de modder, net zoals we dat 7000 jaar geleden deden. De modder is nu misschien vervangen door een kapitalistische markt, maar zij is hoogstens wat verbloemd. Zij plakt nog steeds aan onze voetzolen.

Het is me onbegrijpelijk hoe we daar zo ver van zijn afgedwaald, terwijl dat voor mij zonneklaar is. Menselijk verdriet is iets schoon, iets echt, iets waarachtig.
Misschien zijn we dan toch gemuteerd, en kan die synaptische verbinding niet meer gemaakt worden bij sommigen.

Charlie

Zou het zover zijn? Zou dit het begin kunnen zijn van een oorlog, een aanslepend conflict? Moet ik daar bang voor zijn, eigenlijk? Zelf weet ik toch waar ik sta, moet ik dan bang zijn van een aanstormend, alles meeslepend gevaar?
Dat weet ik zo niet. Mijn blik op mijn islamitische buur zal hier vast en zeker niet door veranderen. Misschien zal de blik, van mijn islamitische buur op mij, dus ook niet veranderen.

Helft

Volgens mij wil ik geen relatie. Mijn hele leven werd ik groter met de vastgeroeste idee dat ik ooit een man zou vinden die alles voor mij duidelijk zou maken, en vereenvoudigen vooral. Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik besef dat dat helemaal niet is wat ik wil. Een primitiever, ontwikkelingsgestoord deel van mij wil het comfort daarvan natuurlijk wel, maar de volwassene beseft dat dat helemaal niet gezond is. Dat zou mij verschrikkelijk afhankelijk van iemand maken, en geen enkel mens heeft de integriteit om zo met mij om te gaan, dat ik daar beter van zou worden. Zeker geen man -sorry.

Ik ben geen feministe. Helemaal niet. Ik vind het hele feministische discours vaak een hele hoop gejank om helemaal niks. Maar mannelijke integriteit bestaat eigenlijk niet. Dat heeft de geschiedenis van de mensheid ondertussen wel bewezen, denk ik. Daar moet ik niet dieper op ingaan.

De laatste tijd is er iets nieuws in geslopen. Onverschilligheid, denk ik. Ik voel me niet eenzaam, ik ben omringd door leuke mensen die mij heel graag zien. Er ontbreekt niets meer, waar ik vroeger altijd het gevoel had, dat er een groot gapend gat was. Of toch, dat gat is zich alras aan het dichten.
Ik had juist enkele dagen vrij, en ik heb eigenlijk bijna vier dagen aan een stuk in mijn appartement doorgebracht. Volmaakt tevreden, met alles. Alles wat gebeuren moest, was gebeurd. Ik procrastineerde niet. Ik genoot, van de rust, van de privacy, van de intimiteit van het huiselijke welbehagen. Ik heb niemand gemist.

Af en toe moest ik naar de winkel, en dan verschanste ik mij achter de anonimiteit van het stadsleven met een hoofdtelefoon en de radio. En dan kookte ik, tortilla’s en spek en pasta en heel veel popcorn. De wereld kon m’n rug op. Die momenten kunnen niet blijven duren, uiteraard, want ik heb een job en een maatschappelijke rol. Er is een context waar ik deel van uitmaak, en er is een zekere verplichting om daar af en toe ook in te investeren. Wat ik verschrikkelijk vind, overigens, het voelt alsof ik die mensen allemaal bedrieg wanneer ik uit pure verplichting (en dus uiteindelijk eigenbelang) contact met hen opneem. Maar goed, “dat hoort erbij”. Dat zeggen ze toch.

Waar in godsnaam is er in mijn leven ruimte voor iemand anders? Hij mag niet teveel praten, maar hij moet wel bewondering bij me oproepen wanneer hij spreekt. Hij mag me niet het gevoel geven dat ik aan iets moet voldoen, maar hij mag ook niet alles van me zomaar nemen. De man die indruk op mij zou kunnen maken, is zo verschrikkelijk specifiek en complex, dat hij gewoon niet bestaat. Mijn puzzelstuk is zo grillig dat daar geen ander op zou passen.

Ik verlang eigenlijk wel nog steeds naar die “entiteit”, merk ik plots. Maar ik besef meer en meer dat hij niet bestaat, en dat het dan voor mij ook allemaal niet nodig is. Het is gedaan om het met minder te doen, dàt is het. Liever alleen, dan met minder dan perfectie.
En met perfectie bedoel ik, totale onvolmaaktheid die ervoor zorgt dat ik ermee kan leven.

Daarnaast hou ik van de anticipatie. Het volslagen onbekende van het vrijgezellenbestaan. Waar zal ik zijn over vijf jaar? Mensen zijn zo saai en fundamenteel voorspelbaar, dat een relatie al meteen een hele boekhouding en uitstippeling met zich meebrengt. Er sterft een wild, losgeslagen deel dat in elke mens leeft. Ik wil een relatie waarin dat kan bestaan. Maar ik denk dat het ene het andere uitsluit, en ik heb daar moeite mee.
Stiekem vind ik de hele mijmering over wie mijn hart zal veroveren leuk genoeg, dat ik de magie van het ongewisse niet wil verstoren door een werkelijke platvloerse man daar in te plaatsen. Plato verstond mij. Sommige dingen zijn volmaakt in de ideale wereld van de geest, van de ziel. Zij hebben geen plaats in de wereld van de vorm, van het beeld. De dingen zoals zij niet geweten maar bedacht worden, gaan kapot wanneer zij in de vormelijke werkelijkheid komen te bestaan.

Daar gaat het mij gewoon maar over.

Grenzen.

Vandaag ging ik uit eten met mijn ouders, en het was niet verschrikkelijk. Wat heel vreemd is. Het blijft moeilijk, maar het ging.

Wat is dat toch. Dat ding in mij. Dat oerse. Oer en aarde hebben dezelfde etymologie. Het is alsof de hele aarde en ik dezelfde entiteit zijn, ik wandel er wat op maar ik ben een piepkleine appendix van die gigantische bol, dat hele systeem. De energie van het hele organisme vloeit in mij over en de mijne gaat via mijn benen en voeten weer naar de grond. En de aarde slorpt dat voor mij op. Wij wisselen met elkaar uit.

Ik denk dat dat voor iedereen in feite zo is, maar dat je je er maar soms bewust van bent. Dat dat misschien een zekere gave is, waar ik toevallig mee gezegend ben. Soms aanschouw ik de dingen, en begrijp ik er diepere betekenissen en lagen in. Of misschien denk ik dat maar, eigenlijk weet ik dat niet. Of misschien is dat zo vanzelfsprekend omdat ik erg diep in contact sta met de verschillende lagen van mijn bewustzijn.
Soms is dat ook moeilijk. Mensen willen soms niet in contact staan met die diepere lagen, en verweren zich tegen de vanzelfsprekendheid waarmee ik die ter sprake breng. Wanneer ik beter zou zwijgen, zeg ik de dingen zoals ze zijn. Af en toe is dat verschrikkelijk ongemakkelijk of zelfs vernederend voor anderen. Er zit geen gemene bedoeling achter, maar dat is dan wel het resultaat.

Daar moet ik me nog wat in bijscholen. Dat respect voor andermans grenzen.

Voor sommigen houdt het op bij hun eigen lichaam, en hoeven er geen diepere verbintenissen uit het ongewisse te worden gelicht door mijn opmerkingen.