Skelet

Het is alsof alle liefdesverdriet dat ik ooit had, opnieuw duidelijk laat voelen dat zij hier woont. Zij klopt op de muren, slaat met de deuren en heeft alle ramen schreeuwend opengezet. Ik ben hier nog.

Waarom vandaag, dat is me een mysterie. Het is de cyclus van het leven en het afsterven, maar vlak voor het sterven komt nog de levensstrijd. De twijfels, de tranen (die droog zijn), het wringen in je sternum. Daar, vanbinnen, waar het merg je hele fysieke wezen zit te brouwen. De druk lijkt zo groot, dat je botten wel eens zouden kunnen ontploffen.
Waar moet ik heen, om geborgen te worden? Wat me omringt, zijn onherbergzame rotsen waar de stormachtige zee tegenaan loopt met een suïcidale vastberadenheid. De scherpe regen voelt aan als stekels, klauwtjes die me jennen, allemaal tegelijk. De wind jaagt hen in alle richtingen tegen mijn huid. Mijn geestelijke wereld is nu een onverbiddelijke toendra voor zover het oog reikt.

Mijn binnenste heeft honger. Het is zo lang geleden dat een warme hand zich voorzichtig rond mijn hals legde, het gewoon maar wilde aanraken. Dat mijn lijf leek te passen in de palm van iemands hand, volledig.

De winter loopt op haar einde, en de echte, zieke, oude delen van de ziel worden door de aanhoudende koude uiteindelijk de nek omgedraaid. Er is geen haast, zegt de winter berustend. Wacht maar, je zal wel zien. Met de zekerheid van een entiteit die al miljoenen jaren lang haar taak volbrengt, valt zij neer op het landschap van je innerlijke roeren. Ze vleit zich daar, schaamteloos, onverstoorbaar. De delen die moeten sterven, weten dat alles op alles staat. Zij is hier, om hen te doden. Zij zal hen vernietigen.

Ik wacht, en ik laat de winter toe. Ik laat alles verkillen, ik laat het vast vriezen, ik laat de meren en de beken zich sluiten. Geen beweging meer, alles moet vast. Zo vast, dat het benauwd wordt. Haar genadeloze vuist sluit zich, tergend langzaam, om mijn ziel. Oogverblindend wit, krakend van de vorst. Ik kan niets doen, maar dat wil ik gelukkig ook niet. Ik geef mij over aan haar.
Want daarna zal zij mij belonen met het loslaten, met een diepe zucht. In één snelle beweging, zullen haar knokels van wit weer naar roos gaan, van het warme bloed dat zich naar haar vingertoppen stuwt. Levenskracht, fluïditeit en warm licht zullen de ruimte weer vullen. En alles wat nog overblijft, is hoop. De rest heeft zij het zwijgen opgelegd.

Hoop, en moed. Het skelet van het leven. Daar is de Lente.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s