I AM FREE

Voor de eerste keer heb ik bewust en terecht, de verleiding weerstaan van het flirten. Mannen die durven met mij te flirten krijgen maar al te vaak te maken met de begunstigende beoordeling. Maar dit ging specifiek om een man die veel te jong was, om te kunnen of te durven inzien wie ik ben. Wie ik kan zijn, wie ik nog kan worden.

Waarschijnlijk heb ik nooit eerder die onderscheiding op tijd durven maken; ziet hij me, of doet hij gewoon maar wat?

Awel he. Hij doet gewoon maar wat.

En ik durf te zeggen dat dat niet goed genoeg is. Zonder een zweem van twijfel.

Advertisements

Volle maan

Met het schaamrood op de wangen bedacht ik me gisterenavond, huilend en piekerend in mijn bed, dat heel mijn preoccupatie met mijn al dan niet ziek-zijn of herval, een wel erg narcistische bestaanswijze is. Dat de dwaze bezorgdheid rond wat anderen over mij denken, als uitgangspunt heeft dat ikzelf heel belangrijk ben. En dat verlichting daarvan dus heel eenvoudig is; meer nederigheid.

Tot nu toe heeft mijn leven in het kader gestaan van mijn (ex-)ziekte. Puberen, rebelleren, probleemkind zijn, ruzie maken. Automatisch heeft dat er ook voor gezorgd dat ik steeds met mijn eigen geest bezig was, het analyseren van mijn gedachten, “teveel” nadenken. Mezelf flatteren, dat ik zoveel nadenk. Meer dan een ander.
De algemene malaise schoof ik af op wat er rondom mij bestond; mijn opvoeding, mijn familie, de samenleving. Vooral mijn familie heb ik jaren aan een stuk (nog steeds, zelfs) de schuld gegeven voor mijn moeizame jeugd. Terwijl ik, zoals ik al eens vermeldde in één van mijn schrijfsels (om dan toch weer te omschrijven hoe ze me precies tekort hadden gedaan), misschien gewoon een heel erg moeilijk, op zichzelf gericht kind was. Onmiddellijke behoeftebevrediging, krijgen wat ik wil, vechten tot de ander plooit, autoriteit doen wankelen, het waren opvallende eigenschappen die ik al heel vroeg leerde aanwenden. Ik bracht mijn moeder aan het huilen in de supermarkt, vernederd en gekwetst, omdat ik zo’n scene maakte dat mensen haar verwijtend aankeken en zij me zo snel mogelijk gaf wat ik wou zodat ze zich kon verschuilen voor hun blikken. Wie mijn moeder kent, zou me aan het kruis nagelen om haar dat aan te doen. Eigenlijk is zij mijn voorbeeld, als het op nederigheid, gedienstigheid en geduld aankomt. Zij heeft mijn vader getrotseerd, zonder ook maar één keer te klagen of hem de rug toe te keren.
Zij heeft mij onvoorwaardelijk graag gezien, toen ik ondankbaar, gemeen en lelijk was vanbinnen. En dat bovendien op hetzelfde moment als mijn vader in zijn slechtste periode. Terwijl zij vocht om ons te beschermen van de toorn van zijn ziekte, krabde ik haar kuiten open vanachter. Maar nooit heeft zij één voet verzet.

Heel vaak heb ik het verwijt klaar naar anderen, dat zij te oppervlakkig zijn. Heel vaak sus ik mijn eigen inadequatie, door tegen mezelf te zeggen “ach, zij snappen je niet, ze zijn te dom”.

Maar ik ben zelf dom. Ik heb veel woorden en ik neem mijn natuurlijke overredingskracht al te vaak aan, als een bewijs voor mijn gelijk. In werkelijkheid geloof ik dat ik mijn talent onvoldoende doordacht gebruik. Dat mag ik niet meer doen.
De arrogantie waarmee ik, in mijn hoofd, anderen beneden mezelf plaats, werd me in de duisternis plotseling erg helder. Hoewel ik schrok, was ik opgelucht dat ik daarbij was uitgekomen. Nu kan ik er tenminste iets aan doen. Hoewel ik niet goed weet hoe, zal dat zich vanzelf wel onthullen.

Een deel van mij wil zich excuseren. Maar het is nog beter om het te incorporeren in mijn manier van denken, en een ander, beter mens te worden -dat gaat langer mee.