Morse

Het allerzwaarste aan mijn job om te dragen, is dat ik ‘het’ gehaald heb, en sommigen die heel erg op mij lijken, niet. Noem het survivor’s guilt. Meestal zijn de verschillen, in de vorm van acute ziekte, heel zichtbaar en versta ik hoe de huidige toestand zich verhoudt tot de puinhoop die hun leven soms kan zijn. Maar soms vind ik de ziekte niet terug, en zie ik enkel een eerlijke mens die lijdt. Een mens die even goed mij kon zijn.

En dan voel ik me schuldig en vernederd -niet in de zin van gekleineerd, maar in de zin van, nederig ten opzichte van die mens. Wat een oprechte, dappere mens. Hij die geleden heeft, en blijft lijden. Hij die het niet gehaald heeft, door puur geluk, hij die nog in de shit zit, ondanks een kerngezonde geest, en toch doorgaat. Wie ben ik, om dan te zeggen dat het goed komt? Dat zijn de weinige momenten waarop ik een mens niet meer in de ogen kan kijken en zeggen: je zal wel zien, het zal beter gaan. Dat zijn momenten waarop ik het zelf van die mens nodig heb, dat hij me geruststelt.
Dat kan ik vanuit mijn positie natuurlijk niet vragen, dat zou een heel ongezond klimaat creëren. Ik draag een verantwoordelijkheid naar die mens toe om neutraal, standvastig en veilig te zijn.

Maar vandaag deed iemand het toch, hij zal het in mijn ogen gelezen hebben. Of hij herkende zichzelf in mij (wij herkennen elkaar nogal snel). ‘Gij zijt ne schone mens’, zei hij ineens, gecombineerd met het soort oogcontact dat je wil mijden maar je zit zo vast als in een cel. Hij moet mijn gevangenschap gezien hebben, want hij zei ‘ge moet u geen zorgen maken, ik probeer u niet vast te zetten’, en begon over iets anders.
Ik weet niet meer wat. Het heeft vijf minuten geduurd voor ik op mijn positieven was, en ondertussen keuvelde hij verder over vanalles en nog wat. Behoefde geen antwoorden of aandacht, babbelde gewoon tot ik er weer was.

Ik wou hem verzekeren dat het ‘aan onze kant’ ook allemaal niet zo schoon is. Ik wou hem zeggen dat ik me soms bijna bewusteloos voel van eenzaamheid, ook al ben ik hulpverlener. Ik wou hem uitleggen dat ik soms dagenlang pieker over mijn toekomst, dat ik soms denk dat ik diezelfde avond nog zal sterven van puur verdriet om al het onrecht in de wereld. Ik wou hem op het hart drukken dat mijn leven, dat er voor hem zo zorgeloos uitziet, niet wars is van pijn of trauma. Ik wou hem beloven dat zijn pijn een deel van elk leven is, en dat zijn hunkering naar een maatschappelijk aanvaard leven niet bij hem zou passen. Dat hij veel te groot en te goed is, om ooit in een hokje te passen dat in onze genadeloze samenleving geprefabriceerd wordt. Dat ik een afschuwelijke en laffe inbinder ben, dat ik nu wel in een hokje pas en me gedeisd hou.

Maar zoiets zeg je niet.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s