Zielepoot

Gij ziet mij, en gij denkt, hee een vrouw.
En dan ziet ge mij bezig en denkt ge, amai, daar zit beweging in zeg!
En dan kijkt ge nog wat beter, want ik ben zo wild en dat trekt uw aandacht.
Ge denkt hee die ogen zijn Chinees, maar ook niet.
Wat zijn die donker, precies twee punaises op een wit blad.
En dan doe ik een woeste beweging met mijn arm, en ziet ge ervaren mensen deinzen.
Oei, denkt ge, ik zal maar wat afstand bewaren.
Sebiet krijg ik nog een mot!
Ge hoort mij lachen en ge denkt, oh, die heeft er toch plezier in precies.
Mijn gezicht neemt duuzend vormen op ne second aan en ge moet daar toch een bitje mee lachen.
Ge raakt op sleeptouw in mijn storm, ineens neem ik u mee.
Ineens weet ge niet meer welk bakkes ge trekt, ge zijt da vergeten.
Ge denkt dat ik u levend zou verscheuren, moest ge dichterbij komen.
Ge denkt dat niemand mijn aandacht kan vasthouden,
want mijn zin is nog nie af of ik heb mijn blik al verlegd naar iets anders.
Mijn ledematen trappelen en zwiepen in ‘t rond, zo erg dat het gaat waaien.
Het gevaarte van mijn sigaret negerend, verbrand ik éénieder wie te zat is om mijn verhaal te omzeilen.
Ja zeg, ge moet daar niet gaan staan eh!
Ge moet gniffelen om de sukkelaar die zijn pijnlijke plek masseert.
Ziede wel, ge moet afstand houden, denkt ge.

Ge ziet mij vertrouwde mensen graag zien en ge benijdt ze toch een beetje, da zulde wel serieus moeten verdienen!
Anderen lachen omdat ik weinig gêne heb en gij vindt da ook geestig.
Ik ga ineens pissen en ge denkt, die heeft wel schoon benen!
En ineens begin ik met u te praten en ge snapt er niks meer van.
De magie van de derde persoon is nu kapot, dedju.
Nog een pintje bestellen. Gij ook?
Ja, drinken zal ze wel kunnen verdorie, denkt ge bij uzelf en ge telt uw kleingeld nog maar is.

Maar ge vergist u.
De ravijnen op mijn lijf, die zijn daarin geslagen in een wilde overlevingsdans.
Maar wa ik overleefd heb, heeft mij nie bitter of kil of hard gemaakt.
Ik ben herboren als een dier van liefde, ik ben warm en ik ben er voor u.
Maar da ziede nie, da moete vragen.
Het ongemak dat de ruimte vult, tussen mij en anderen, wil ik kapot hakken.
Komt is wa dichter staan, verdoeme!
De barrières en de grenzen maken mij kwaad, omdat ze mij verdrietig maken.
Waarom blijfde nu weg?
Wa heb ik nu verkeerd gedaan?
Maar antwoordt nu is, wa is er?
EJ!
Ge mispakt u.
Mijn ongebreidelde nieuwsgierigheid doet u vrezen,
dat uw eigen leegte u in uw gezicht gaat worden gesmeten.
Amusement maakt plaats voor benauwdheid.
Shit, denkt ge, ik had nog wa tijd nodig!
Het zweet breekt u uit en ge moet ineens ook maar naar de WC.
‘t Was toch plezanter toen ze nog mij nog nie gezien had, denkt ge.
Ge hebt nog geeneens gewacht.
Om te zien hoe lief ik ben.

Wat ge nie weet, en nie kunt zien, is da ik alles wa echt is, schoon vind.
Wa ik schoon vind, is nie uw haar waar ge nerveus wa gel in hebt gewreven, maar dieje oude, opengebroken puist onder uw lip, just nie in ‘t midden.
Uw ad rem antwoordjes captiveren mij nie, maar wel de twijfelende voet die zich plat legt, dan weer op de tip, nee toch maar plat op de grond.
Ik heb da allemaal gezien, en ik lees uw lijf met zoveel passie en goede bedoelingen en ik zie u kwijnen en mijn hart breekt in duizend stukskes dat ge daarvan kwijnt.
Waarom schaamt ge u nu zo, is da nu zo erg da ik dichtbij kom.
Alsof ik ooit de pretentie zou hebben om te vermoeden dat da wederzijds is.
Denkt ge nu echt da ik in al die jaren nie geleerd heb da mensen nooit zo geboeid gaan zijn door mij als ik door elke mens die ik ontmoet?
Alsof mijn interesse wil zeggen dat ik iets van u verwacht. Ge moet u nie te speciaal voelen ze.
Als ik lach om een grapke van ne mens op café, dan lach ik nie om de grap, maar om de puurheid van zijn plezier in het mij doen lachen.
Hoe schoon is da nu!
Ge merkt aan mij nie, hoeveel moeite ik doe om alleen het mooie te onderstrepen.
Denkt ge dat da vanzelf gaat?
Ej!

Ej… (da was den echo, hij was allang gaan lopen ze).

Wortel

Vandaag deed ik een dutje in mijn zetel en werd ik met een onbehaaglijk gevoel wakker. Eigenlijk sluit ik doorheen de dag zelden de gordijnen, omdat het daglicht naar mijn planten moet, en ik bovendien weinig zie van mijn overburen en er dus vanuit ga dat ook zij weinig van mij zien. Zelfs ‘s nachts en ‘s avonds doe ik ze vaak niet toe. Maar ik word paranoïder, vandaag werd ik wakker met het gevoel dat “ze” me bekeken hadden. Of dat ze vonden dat ik een schandalige levensstijl had. Televisie kijken, liggen, heel veel liggen, soms denken en urenlang liggen, zonder iets te doen.

Natuurlijk werk ik meestal wel, maar er was een periode dat ik minder thuis was. Dat ik meer energie had om dingen te gaan doen, of dat mensen rondom mij ook meer energie hadden en dat ik beweeglijker was. Maar misschien werk ik ook meer, of is mijn rol stressvoller geworden op het werk.
In elk geval voel ik mij al enkele dagen slecht in mijn vel en heb ik al een langere tijd het sluimerende gevoel dat er iets mis aan het gaan is. Het was allemaal begonnen vorig jaar rond het begin van de winter, toen ik me zorgen begon te maken om mijn hart. Dokters bogen zich over de kwestie, en er bleken inderdaad wat problemen te zijn rond bloeddruk en regelmaat, maar niets waar meteen op moest worden ingegrepen. Meerdere keren per week lig ik echter in mijn bed urenlang te zweten van irrationele angst dat mijn hart zal ophouden met kloppen. Paniekaanvallen zijn dat, meer niet.

Maar waarom? Waar komt het vandaan? Ik begrijp het niet zo goed.

Na mijn opname was mijn gedrag onder controle, ik had geleerd in een stevige omkadering terug te functioneren en mij aan te passen aan de omgeving, in plaats van de omgeving aan te vallen en aan te passen aan mij (desnoods door middel van geweld). Na mijn opname heb ik ook eigenlijk geen geëngageerd beroep meer gedaan op hulpverlening, omdat mijn vertrouwen in hen helemaal kapot was gegaan. Alle mensen zijn feilbaar, ook hulpverleners. Psychologen waar ik op intake kom, staan met de mond vol tanden te luisteren naar mijn verhalen en weten niet waar ze moeten beginnen. Uiteindelijk stranden we in details, een collega met wie het niet klikt of zelfbeeld of zo. Terwijl zelfbeeld, vertrouwen, sociale interactie en die dingen allemaal symptomen zijn van iets veel groter.

Er is nog vanalles wat duidt op onbehagen, er is middelengebruik en er is niet aflatende boulimie. Waarom hebben andere mensen dat niet, wat is er mis met mij waardoor ik ongezonde dingen moet doen om mijn geest gezond te houden? Is het een kwestie van te weinig aandacht aan het heden besteden?
Het is evident dat ik wat dankbaarder zou mogen zijn voor wat ik heb. Niet van dingen, dat interesseert me helemaal niet (hoewel mijn appartement als geheel me wel heel dierbaar is), maar van lieve mensen rondom mij. Hoewel ik graag en veel liefde kan geven, is het niet zo eenvoudig om ze te krijgen. Nochtans zit mijn hoofd al voortdurend naar de toekomst te kijken, wat zal ik worden, hoe zal mijn leven eruit gaan zien, hoe zal ik zijn over vijf jaar, wat zal er gebeuren in de wereld, hoe zal ik morgen zijn? Eigenlijk denk ik 90% van de tijd aan morgen, festivals in het verschiet, reizen, plannen. Dat besef ik plots. Alleen wanneer ik een film bekijk en me laat meeslepen, houdt dat even op.

Ik zou ‘s avonds bij geen plannen mezelf de regel moeten opleggen van alleen naar de komende paar uren te kijken. Niet jaren in de toekomst, want dat is veel te veel en beangstigend en zwaar. Ik word er bang van, en ik voel me nietig. Ik moet me wortelen, in het Nu. Het Nu is onweerlegbaar, daar is geen twijfel of subjectiviteit, het is er gewoon, zoals het er is.
Daar moet ik leren een veilig gevoel uit te halen. Want hoe bang ik nu ben, kan ik niet eindeloos blijven leven. Dan ben ik uitgeput over vijf jaar-ssht! Dat is al te ver vooruit. Stop.

Update: Dan begin ik onmiddellijk te huilen! Het Nu is blijkbaar toch niet zo leuk.

Tam

De zomer komt eraan. Zij ligt op mijn pad te wachten, maar ik voel haar warme gloed al in mijn leven binnen sijpelen. De harde momenten verdwijnen, zij maken plaats voor rust. Echte rust. Wat voel ik me goed! De dingen lopen niet altijd zoals ik het wil, maar dat vind ik niet erg. Ik voel me omringd, geliefd en gezond.

Het is nog maar recent dat ik op één of andere manier begonnen ben, met mezelf te kunnen zien door de ogen van anderen. Voorheen was dat volstrekt onmogelijk, om me voor te stellen hoe ik bij een andere persoon “aankwam”. Wat dat heeft uitgelokt weet ik niet, maar soms kan ik me voorstellen hoe ik voor een ander overkom. Precies. Ik moet die vaardigheid nog verdiepen, maar ik ben al lang blij dat ik eindelijk weet hoe het moet. Het is confronterend vaak, omdat je dan plots ook minder fraaie of gepaste dingen van jezelf in je gezicht krijgt, maar dat kan ik bolwerken.
Bepaalde situaties kan ik als een film afspelen, en dan zie ik mezelf op niet altijd correcte manieren bezig tegen andere mensen, vanuit de ogen van die andere mensen. Bijzonder bevreemdend is dat, de eerste keer, op het schokkende af. Ik zag mezelf, hard en bot en direct als ik kan zijn. En ik verstond plotseling hoe die persoon tegenover mij zich gevoeld moet hebben. Ik werd ineens de receiving end van mezelf, een furie die nergens voor terugdeinst en dat in haar volledige zijn over kan brengen. Ik voelde me nog maar drie centimeter groot, door mijzelf.

Erg interessant.

Enkele spilfiguren hebben dit voor mij mogelijk gemaakt. Vrienden die me bijstaan, in mijn meest grauwe momenten. Mensen die mij door de winter heen hebben gedragen. Voor de eerste keer besef ik, dat ik ze verdiend heb. Dat zij dat niet zonder reden doen, maar dat zij dat ook niet met voorbedachte rade doen om ooit iets van mij terug te vragen. Dat zij dat niet doen omdat zij met mij naar bed willen. Dat zij dat niet doen omdat zij mij nodig hebben. Zij doen dat, omdat zij mij een mooi mens vinden, gewoon. Omdat ze mij graag zien.
Onbewust hebben zij het op deze manier voor mij mogelijk gemaakt, om mezelf liever te zien. Door koppig vol te houden dat ik dingen doe en zeg en denk, die hun leven verrijken, ben ik dat gaan aanvaarden. Ja, ik kan die rol hebben voor een ander. Ik heb niet alleen anderen nodig, soms kan ik ook iets geven, zonder dat daar een wederdienst tegenover moet staan. Jammer genoeg was dat voor mij niet vanzelfsprekend.

De eenzaamheid waar ik soms over jammer, is een eenzaamheid die me eigen is en die ik niet hoef op te vullen. Integendeel, die hoor ik te koesteren. Wat ik nodig heb van een relatie, is geen opheffing van die eenzaamheid, maar juist een facilitering ervan. Een relatie die me steunt en bevestigt, in wie ik ben, dus mét die geïnternaliseerde, fundamentele eenzaamheid. Ik noem haar Eenzaamheid, maar zij is in feite het resultaat van een groot verdriet, een diep contact met mijn menselijkheid en mijn emoties. Zij is onophefbaar, zij is mij. Een heel nauw geweven relatie kan de illusie opwekken dat zij opgeheven is, maar in werkelijkheid is dat een verliezen van mezelf. Door mezelf te verliezen, verloochenen, verlies ik ook de eenzaamheid, omdat die een groot deel van mij is.
Vandaag voel ik dat dat voor mij niet gezond is. Want wanneer ik niet meer in contact sta met het Grote Gapende Gat, raak ik verwijderd van mijn instincten en intuïties. Zij liggen daar, waar het donker is en veel mensen eigenlijk niet langer hoeven te komen binnenin zichzelf. Maar die donkere delen van mezelf vind ik juist zo spannend, daar heb ik jaren in rondgedwaald. Zo erg zelfs, dat ik er niet meer uit kon. Nu kan ik daar vrijelijk in en uit springen, zonder dreiging, zonder gevaar. Ik ben meesteres van mezelf, meer en meer. Daar ben ik trots op, want zoals gezegd, ik ben een furie en niet zomaar te temmen.

Misschien had Freud toch ergens een punt, met zijn Es en zijn (Über-)Ich. Über plak ik er niet zo graag voor, omdat dat de schijn opwekt van asymmetrie. Mijn Es en Ich staan volstrekt met elkaar in gelijkenis, zij zijn volwaardige partners. Maar omdat mijn Es onwaarschijnlijk sterk is en woest kan razen, heeft mijn Ich zich lang genegeerd geweten, niet goed bevattend hoe het moest functioneren in de schaduw van een beestachtig, instinctief en behoorlijk agressief Es. Maar het Es lijkt een beetje op een hond, uiteindelijk. Zonder geaffirmeerd baasje voelt het zich haveloos, onbegrensd, het Noorden kwijt en gedesoriënteerd. Nu mijn Ich begrepen heeft dat het niet hoeft te lijken op het Es, nu het voelt dat het waarde kan hebben in haar verschil, emancipeert het zich en weet het tijdig in te grijpen op het ongebreidelde, het houdt me in toom met een volwassen assertiviteit.
Daar schuilt een paradoxale maar immense vrijheid in. Omdat ik mezelf in de hand heb, omdat ik tam ben naar mezelf toe, durf ik buitenkomen en vertrouw ik mezelf. Ik weet wie ik ben, en waarom. Ik weet ook wat ik kan, en dat is bijzonder veel.

Er was een tijd dat ik dacht dat tam zijn slecht was. Maar nu het Ich een luidere stem heeft, begrijp ik dat dat niet zo hoeft te zijn.

Hoe is het in godsnaam mogelijk dat ik ooit een eicel was, diep weggeborgen in de eierstokken van mijn moeder, en dat ik vandaag zulke dingen schrijf. Begrijp me niet verkeerd, dit is mijn DNA dat spreekt, dit is niet iets wat ik bereikt of gedaan heb. Hier heb ik geen verdienste aan. Ik bekijk objectief het resultaat van de biologie van de mens, en ik verwonder mij daar mateloos over. Zo kan ik een uur naar mijn tenen kijken en me verwonderen over het feit dat ik mij verwonder over mijn tenen. Naar mezelf kijken, een mensje, dat haar tenen observeert en zich daar vragen over stelt op haar bed, bij een muur die helemaal staat volgeschreven met een tekst die haar ooit geïnspireerd heeft.

Wat ben ik toch een wonder.