Loslaten

Het heeft lang geduurd voor ik tot schrijven kwam. Lang, omdat ik al weken op de dool ben. Er is veel huilen, maar er was weinig duidelijkheid en ik kwam niet tot gevoelens die verwoordbaar waren. Het enige wat ik vond, waren kleine eilandjes aan geïsoleerde gevoelens, over geïsoleerde situaties. Die bleek ik bovendien niet te kunnen uitwerken in een echt groeiproces, wat mijn schrijfsels normaal gezien wel teweeg brengen.
Maar nu heb ik het volgens mij gevonden.
Het volgende zal voor heel veel mensen herkenbaar zijn, denk ik. Alleen vertoon ik het allemaal in heel extreme mate, want als ik niet extreem kan zijn word ik bang dat ik zal verdwijnen in de gewoonte.

Vandaag was de ontlading immens, eens ik door de voordeur was na een drukke dag. Eigenlijk zakte ik bijna door mijn knieën, van het geforceerd doorzetten, van het inhouden heel de dag, van het vechten tegen de tranen. Ik moest daadwerkelijk even gaan zitten, dat was wel weer even geleden.
Ineens kwam ik tot een soort loslaten, een ‘laten gaan’. Het ging niet om de tranen, het ging om een daadwerkelijk toelaten van de overweging om weer helemaal ziek, depressief te worden. Regelmatig sla ik in paniek omdat ik altijd denk dat ik terug ziek word, buiten mijn wil om, maar die paniek was er vandaag niet eens. Het enige wat ik kon voelen, was een innig verlangen en een gevoel van een stok achter de deur. Ik merkte dat ik dit kon kiezen. Als ik niet meer kan, dan kan ik nog altijd loslaten. Dat lonkte allemaal weer zo. De optie van de ongebreidelde depressie voelde echt als een oplossing.
Ik probeerde te denken aan wat ik heb opgebouwd, aan wat ik wel heb. Ik probeerde voor mezelf te onderstrepen dat ik mijn werk goed doe, dat er hoop is, dat ik goeie vriendinnen heb. Dat ik niet heel mijn leven alleen zal zijn. Dat er niks mis met mij is, dat ik niet kapot ben.

Het is echter nog te vroeg om in die richting te denken. Op dit moment zit ik nog veel te diep om het schijnsel van de uitgang van de tunnel al te zien, dat is te ver weg. Daar heb ik zelfs geen interesse in. Het loslaten is een heerlijke beweging die nu veel meer aantrekkingskracht heeft. Gehuld in apathie kun je dan de hele wereld buitensluiten en negeren.
Er is een fundamenteel tekort aan erkenning in mijn leven, dat ik voor mezelf blijkbaar niet kan opvullen. Een normale mens voelt zich fier op wat hij doet, uit en voor zichzelf. Natuurlijk heeft iedereen wel eens schouderklopjes nodig, maar ik heb zoveel en zo’n onlesbare dorst naar bevestiging, dat ik erdoor verbrijzeld word. De combinatie met een panische angst om ooit nog zwaar te wegen op iemand anders door mijn ziekte, zorgt voor een onhoudbaar zware situatie.
Er zijn twee grote problemen; ten eerste wat voor mij aanvoelt als een behoefte aan liefde of aandacht, die veel groter is dan ze zou moeten zijn, en ten tweede een ingekapseld innerlijk dat ik in geen enkele hoedanigheid omgedraaid krijg naar buiten toe.

Laat ik beginnen met het inzoomen op het probleem van de behoeften. Deze zijn onlosmakelijk verbonden met schuldgevoelens, een nood ervaren is een pijnlijke leerschool geweest van niet ingeloste verwachtingen en “zwaar wegen”. Het hoeft niet te verwonderen dat honger, een onmiddellijk beschikbare basisbehoefte, al snel mijn eigen controleerbare put werd. Ofwel door overeten, ofwel door anorexie. Een schommelen tussen beide vaak. Zelfs het voelen van honger, en bij uitbreiding het eten zelf, is ondergesneeuwd door schuldgevoel.
Door anderen nodig te hebben, binnen het klimaat van emotionele onbeschikbaarheid dat mijn gezin was, voel ik mij als een falende volwassene. In een totale utopie zou ik niemand nog nodig hebben. Als ik mezelf toesta om weer ziek te worden, dan verdwijn ik in een diepe grot van mijn eigen gedachten, en heb ik niemand nog nodig. Ik hoef niemand nog iets te vragen. Ik ga langzaam dood aan mijzelf, en ik hoef alleen te wachten. Anderen nodig hebben is een gruwelijke hel, want ik bezit geen taal voor het gevoel dat hiermee gepaard gaat. Het gevoel is zo primitief, zo regressief ook. Het dateert van een periode uit mijn leven, waarin ik nog niet kon spreken. Als verwaarloosde, nooddruftige baby heeft deze gedachte zich al bestendig gevestigd in mijn ontwikkelende hersenen, heel mijn neuronenstructuur is hier rond opgebouwd. Deze is te oud en te zeer verankerd, om te kunnen worden opgevangen door de beperkte plasticiteit van mijn zenuwcellen. Door deze discrepantie kan ik dus geen hulp vragen. Ik zit in een cel vol ontberingen, zonder materiaal om de schaarste op te heffen.
Zo ook de behoefte aan een partner, de vurige wens om door iemand duurzaam graag gezien te worden. Voor mij voelt dat verlangen aan als disproportioneel en onterecht. Een mens moet alleen kunnen zijn, en zeker ik. Natuurlijk wil iedereen wel een lief, maar je moet volmaakt gelukkig kunnen zijn zonder, en als je dat niet kunt dan ben je eigenlijk niet klaar voor een relatie. De ongelooflijk ampele begeerte aan troost, zorgen, knuffels, is een schabouwelijke eigenschap die ik liefst van al volledig ontken. Het maakt me razend, wanneer ik het plots acuut en priemend gewaar word, dat ik het mis om geknuffeld te worden. Dat zijn de momenten waarop ik me het meest doorvoeld mislukt voel. Dat ik krijs om iets, waarvan ik het krijgen niet zelf in de hand kan hebben. Dat ik er niet in slaag om in al mijn eigen noden zelf te voorzien.
Rationeel weet ik natuurlijk wel, dat niemand dat kan.
Doordat ik zo streng ben voor mezelf als het aankomt op zelfzorg, kom ik natuurlijk erg veel tekort. Het duidelijkst in mijn magere gestel, maar in tientallen andere vormen even goed. De mate waarin ik mij kan verliezen in middelengebruik, zonder spijt of reservaties, zonder bezorgdheid (lees: eigenwaarde) over de schade die zou kunnen volgen. Dat ik het mezelf nooit toelaat om verlegen, droevig of zelfs communicatief toegankelijk te zijn voor een ander, als die me zou kunnen afwijzen of pijn doen. Dat mijn angsten omslaan in agressie, omdat de wonden van een conflict gemakkelijker te verstoppen zijn achteraf dan de nederlaag van te kunnen worden getroffen.
Door al deze dingen, ontkoppel ik mijn bewustzijn van mijn fragiliteit waardoor ik mezelf in de steek laat zoals mijn ouders dat hebben gedaan. Ik heb geen oog voor wat ik tekort kom, omdat ik mijn ogen er zelf voor sluit. Ik probeer iets te vullen, wat ik zelf leeg maak.

En dan is er het tweede obstakel, van de bijzonder moeilijk bereikbare, innerlijke wereld. Zowel voor mezelf als voor derden. De geheime introversie die me typeert is van dergelijke aard, dat zij mijn gevoelsleven totaal overheerst, precies door haar verborgenheid. De stiekeme aard van wat ik werkelijk voel, maakt het voor mij onmogelijk om het op een gezonde manier te voltrekken; namelijk door het te laten dragen door anderen. Daarvoor is uiting nodig, die amper kan plaatsvinden.
Mijn echte emoties liggen bedrieglijk goed verheimelijkt onder een dik plamuursel van (zelf)humor, schijnbare onverschilligheid en onverschrokkenheid. Zo goed, dat maar weinig mensen zich de vraag stellen of deze façade al of niet waarachtig is. Natuurlijk heeft iedereen een façade, zonder ga je dood. Maar de mijne is ongemeen fors en zelfs voor mezelf het grootste deel van de tijd hermetisch afgesloten. De kwetsbaarheid daarachter wil ik zo genadeloos ontkennen, dat ik hoop haar te kunnen wegdenken. Zij maakt mij feilbaar en week. Zij is voor mij mijn eigen grootste gebrek. Als ik mijn kwetsbaarheid kon doen verdwijnen, dan zouden mijn zorgen verleden tijd zijn. Maar net zoals mijn behoeften, is zij niet weg te denken uit de mens, en dus evenmin uit mij.
Er is een onvast, teer gedeelte van mezelf dat zo smartelijk gekwetst is, dat ik het verworpen heb als de oorzaak van mijn leed. Dat ik gekwetst word door anderen, kan ik niet afwenden, maar dat ik gevoelig ben, dat kan ik misschien bij mezelf leren uitwissen. Een volslagen onrealistische hoop, maar daarom niet minder hardnekkig. Net zoals mijn ouders dat deden, heb ik geleerd mijn gevoelens te loochenen als zijnde onterecht of fout.

Het is evident dat ik nog een lange weg te gaan heb naar volledig herstel en evenwicht. Nu gebeurt het allemaal in horten en stoten waardoor ik tijden heel zorgeloos en oppervlakkig kan zijn, en dan weer heel diep val en heel veel pijn heb, zoals nu. Daar zou ik liever wat meer gematigdheid en stabiliteit in zien. Misschien komt dat nog.

Ik ben eigenlijk al lang opgelucht dat ik de weg naar mijn diepere zelf terug gevonden heb. Door dit schrijven heb ik het gevoel gehad dat ik weer mezelf was, dat ik in contact stond met mijn eigenheid. Al veel te lang en al veel te bars, hou ik dit allemaal voor mezelf. Al veel te lang ben ik die façade, die anderen onzeker en nog stiller maakt over hun imperfectie, hun verhaal, hun gebreken. Terwijl het door te spreken is, dat wij die dingen van onszelf leren omarmen en graag zien.

Advertisements

Aan mijn toekomstige

Ik ben een beetje bang voor wat ik ga zeggen, dat je zou denken dat ik gek ben. Veel mensen denken dat ik gek ben. Soms denk ik het zelf.
Ik wil niet dat dit iets betekenisloos is, voor één avond of één nacht. Ik wil dat dit een start is. Doordat ik zo direct en duidelijk ben, maken veel mensen de vergissing te denken dat ik dat alleen maar kan, omdat het ook voor mij niets betekent. Dat is niet zo. Ik ben even bang en zenuwachtig en verpletterd door onzekerheid als ieder ander. Maar ik ben dapperder dan anderen. Wat in mijn hart gonst spreek ik uit. Zodat je dat weet.
Dat doe ik nu ook. Met een trillend hart, van pure angst. Het is verschrikkelijk om zo kwetsbaar te zijn, en het gevoel te hebben dat ik het moet, dat ik het mezelf verschuldigd ben om het dan ook totaal en absoluut te doen. Als je me hebt, dan heb je me, volledig. Dan heb je alles wat ik ben, en neem maar van mij aan dat dat een ontzettende hoeveelheid is.

Als je me kan zien zoals ik mezelf zie, dan zie je een kind. Een puur, soms een beetje zwart-wit, zoekend en tastend kind. Een kind in een oerdegelijk, sportief en duurzaam, gezond lichaam. Mooie heupen, lange smalle benen met groeven van spieren en botten in, juist genoeg om met het zonlicht te spelen, juist niet teveel, om nog zacht en rond te kunnen zijn. Sterke polsen om een kind in te dragen, stevige handen met aders op die volspringen van leven. Donkere, ronde ogen die jou doorspiezen als een laserstraal, en alles gezien hebben wat je doet. Een huid vol klein wit dons, die snel bruint en wonderbaarlijk jong blijft. De bos haren op mijn hoofd is even wild als ikzelf, theoretisch gezien is het stijl, maar het weet niet wat het zelf wil en de totaal onsystematische bochten waarin het zich besluit te leggen zorgen voor een intrigerend onvoorspelbaar volume. Ik ben een kind in het lichaam van een wonderschone vrouw. Hoe langer je me kent, hoe meer mijn aanblik je eigen wordt, hoe mooier je me gaat vinden en hoe fundamenteler je mijn schoonheid zal weten te waarderen. Geloof mij, ik doe het al 28 jaar.
Er is een voortdurend ongeduld dat mijn bewegingen vooruit stuwt. Het gevecht met het plastiek rond een 12-liter pak melk, kan werkelijk gewelddadig worden, als ik vind dat het te lang gaat duren. Het gevecht met mijn jeansbroek wanneer ik uit de douche kom en mijn lijf eigenlijk nog vochtig is, waardoor de pijpen zich niet over mijn benen willen laten trekken, kan een ware agressieve aard wakker maken in mij. Een vertraagde computer, een bus die te laat is, een voetganger die blijft stilstaan in het midden van het voetpad, … Het lijken prullen, het zijn ook prullen. Zij houden mij wakker. Wees niet bang voor de woeste frustratie die uit mij gutst, zij is volledig door mij bevat. Zij zal zich niet uitbreiden of richtingloos uit haar koers slaan. Zij zit helemaal in mijn hand.

Maar je kan me niet zien, zoals ik mezelf zie, alleen ik kan dat. Dat moet ik dus leren. Jij ziet iets anders. Jij bent iemand anders, jij let op andere dingen. Ik zie jou ook anders dan dat jij jezelf ziet.

Ik heb veel meegemaakt. Veel mensen zeggen dat, maar ik heb meer meegemaakt dan heel veel vrouwen die je ontmoet. Dat is een belangrijke reden waarom ik zo bewust ben, van mezelf en van mijn manier van leven. Niets gebeurt op automatische piloot of vanzelf. Niets.
Alles is bedacht, overwogen, beslist.
Behalve slapen en klaarkomen. Dat niet. Gelukkig.

Er is genoeg ellende geweest, nu. Dat jij hier nu bent is goed, maar je zal hard moeten werken, zoals ik dat elke dag voor jou zal doen. Je zal voor mij moeten zorgen, je zal sterk moeten zijn zodat ik op jou kan steunen. Je zal moeten verdragen dat je soms niks voor me kunt betekenen, en dat ik je van me af duw. Soms zal je dagenlang moeten wachten, tot ik terug mijn weg vind tot bij jou, en urenlang met je spreek over mijn reis. Hetzelfde zal ik voor jou doen.

Je moet me heel graag zien -je zal niet anders kunnen.