Brand

Het zou heel vroeg kunnen zijn, maar jammer genoeg is het heel laat. Ik heb nog altijd geen oog dicht gedaan.

Gitzwarte gedachten, ideeën, fantasieën spoken door mijn hoofd en ik krijg ze niet uitgewist of verzet. Daarjuist heb ik een strijd van tien minuten gevoerd tegen de zucht, ik had alles al klaar liggen. Blaadjes, tabak, tipjes, weed, alles lag naast mijn hoofdkussen en ik ging een joint rollen om nog op te roken terwijl ik naar een serie keek op mijn laptop. Lekker knus onder de deken zou ik dan wegsoezen, in een slaap van lage kwaliteit maar van diepe aard.
Maar ik moest eerst even naar de WC, want pissen wanneer je stoned bent is klote. Alles kost energie, dat wilde ik mezelf niet aandoen.

Ik vloekte. Ik vloekte dat de muren ervan bloosden. Tien minuten lang heb ik in het deurgat van mijn slaapkamer gestaan, mijn materiaal aanschouwend. Ik nam de tijd, om alles op een rijtje te zetten. Waarom ik twijfelde, waarom de twijfel een waterkans was, waarom de twijfel mijn enige kans was.
Uiteindelijk heb ik resoluut alles weer weggezet. Vandaag heb ik gewonnen, voor een dag.

Maar dan. Vanwaar kwam de zucht? Van een klootzak in desbetreffende serie, die een joint aan het roken was. Achteloos, moeiteloos.

Ik moet denken aan morgen, een shift met een collega waar het niet mee botert. Een collega die mij een lelijke loer heeft gedraaid, en zich in de nawee van de strijd, wanneer ik al vermoeid en uitgeblust was, nog snel is komen excuseren en zich er snel vanaf heeft gebracht. Ik had geen gevecht meer in mij, en dat wist hij. Snel zijn eigen geweten sussen, en naar huis gaan. Het heeft lang geduurd voor ik me realiseerde dat ik kwaad op hem was, en waarom.
Nu weet ik het.

Dan beginnen de droevige, lelijke verhalen. De ex van een goeie vriend van mij is systematisch zijn sociale kring beginnen opzoeken. Zij beweert dat het toeval is, maar dat is het waarschijnlijk niet. Ik wilde een gemeenschappelijke vriendin in nood helpen, die mij uitdrukkelijk had gevraagd om een gesprek. Maar dat mocht niet van die ex, “want ik was een vriendin van haar ex”. Belachelijk.
Ik ben haar gaan opzoeken, rechtstreeks. Wat is jouw probleem, ik ken je amper. Waar moei jij je mee.
Op haar eigen lompe manier heeft ze voor me gekropen om het goed te maken, zoveel assertiviteit was ze blijkbaar niet gewend ofzoiets. Ze hoopte dat we vanaf nu vriendinnen konden zijn, alsof het uitdovende conflict ook betekende dat ik respect voor haar had (of moest hebben?). Dat was niet zo.
Ik beeld me in dat ik haar tegenkom in het nachtleven, dat ze opnieuw met me begint te praten, dat ze opnieuw over vriendschap begint en dat ik haar een halt moet toeroepen. Dat ik haar moet zeggen; luister, ik heb niks tegen je, maar ik wil helemaal geen vriendinnen met je zijn, want jij bent een zelfingenomen en nogal dom meisje. Dat is ook zo. Zij wordt razend, zij maakt een scène. Ik ontvlucht het feest en ga naar een club waar ik vaak kom. Ik zet me neer met een vriend, ik rook een sigaret en ik vertel wat er gebeurd is en waarom ik daar gevlucht ben van alle drama.
Daar komt zij aan, zat en boos. Ze ziet mij, ze stuift op me af en begint te schelden (zo is ze dan, dit is mijn fantasie maar dit is echt hoe ze is). Ik zeg dat ze belachelijk doet en mij met rust moet laten, ik ben allesbehalve geïntimideerd. Zij voelt dit, doet er een schepje bovenop en grijpt me bij de haren. Ze trekt en sleurt. In een reflex geef ik haar een kopstoot, zij is even helemaal uit haar elan gehaald en wankelt naar achteren.
Buiten op het terrasje, waar ik zat te roken, staan van die schalen met kaarsen in. Ze wankelt nog steeds en ik zie haar het evenwicht verliezen, recht op een brandende kaars. Zo erg bedoelde ik het nu ook weer niet (ik vind het al erg genoeg dat ik reflexmatig mogelijk iemands neus heb gebroken), ik probeer haar tegen te houden in haar val en we vallen uiteindelijk allebei op de grond. Zij links van mij, ik val met mijn achterbeen in de kaars, die daardoor uitdooft.

Er staat een kring mensen om ons heen, zij bloedt hevig uit haar neus. Ik probeer haar nog te helpen, maar zij wordt nu omgeven door mensen die haar kennen en die hulp is waarschijnlijk meer welkom nu. Ik ben half in shock van mijn eigen gedrag. Ik schaam me vooral, heel, heel diep. Ik huil een beetje maar dat voel ik niet echt.
Ik sta op en ik wandel naar huis.
Wanneer ik bijna thuis ben begin ik te voelen dat mijn sok geluid maakt bij het stappen, alsof ik in moeras stap. Ik kijk naar mijn voet en zie dat heel de achterkant van mijn broek donker ziet (in het straatlantaarnlicht zie ik alleen licht of donker, geen kleuren). Ik weet meteen hoe laat het is; in mijn achterbeen heb ik een gigantische brandwonde die nu hard aan het bloeden is. Bij de voordeur bel ik de ambulance die mij komt halen en mijn wonde wordt verzorgd.
Die nacht maak ik nog even koorts, ‘s morgens mag ik weer naar huis.

Ik kom thuis en ik ben alleen. Ik moet naar het werk bellen en uitleggen waarom ik niet kan komen werken.

Dat zijn mijn gedachten ‘s nachts, soms.

Waarschijnlijk symptoom of symbool voor iets wat me werkelijk bezighoudt. (Het is de eerste keer dat ik schrijf over deze scenario’s die zich soms ontpoppen in mijn hoofd. Het is heel vreemd om het te lezen. Misschien helpt dit om te slapen, denk ik dan maar.)

Advertisements

Synaps

Een steeds vaker terugkerend thema in de fictie (hetzij film, hetzij literatuur) en de wetenschap, is de artificiële intelligentie. Hoe dat precies gedefinieerd wordt volgens de filosofie, weet ik niet. In mijn hoofd gaat het over een vorm van zelfbewustzijn die niet organisch tot stand komt, niet gebaard wordt door een gelijke, niet gedragen wordt door een baarmoeder.

Volgens mij bestaat het nog niet, maar dat kun je denk ik vanuit mijn positie nooit zeker weten. Misschien is er een geheim labo ergens waar het al wordt uitgedacht, er zijn wetenschappelijke theorieën die zeggen dat zelfs wij eruit voortgekomen zijn en dat het dus altijd al bestaan heeft.

Maar wat is ‘altijd al’, om te beginnen? Ons besef van tijd is gebaseerd op wat Einstein en anderen ooit uitdachten, samen met ons idee van de tijd is ook ons hele bewustzijn veranderd.
Een prehistorische mens die ontwaakt, en de zon ziet opkomen en in de verste verte niet weet wat die grote schijnende bol is, of waar hij vandaan komt, moet toch ook helemaal anders over zichzelf denken, dan wij. Als je onder de zon staat, voel je de stralen en als je je ogen sluit en je handen opent naar de zon toe, dan voel je dat het licht, de warmte en al het leven wat de zon ons gegeven heeft, van die blinkende bron aan de hemel komt. Je hebt geen begrip nodig van de astronomie om dat gewoon te weten. Alsof dat idee altijd al in je hersenen zat, alsof die informatie al een deel uitmaakt van je neuronen terwijl je nog groeit in de buik van je moeder.

Hoe meer we op zoek zijn gegaan naar antwoorden en oplossingen voor ‘waarom’ de dingen gebeurden, hoe meer we misschien verwijderd zijn geraakt van alle antwoorden. We zoeken ze buiten ons, we zoeken ze in het universum, in het verleden, in de fysica en de chemie.
Dat is volkomen begrijpelijk en een onontbeerlijke stap in onze evolutie. Maar onze evolutie heeft zich als het ware verplaatst, lijkt het. We zijn zoals we nu zijn, in onze fenotypische gestalte, terwijl onze geest grote sprongen maakt in wat het weet, wat het begrijpt. Ideeën en manieren van kijken worden onze kinderen op school aangeleerd zoals ze zijn, als zijnde ‘de waarheid’ en ‘de nieuwste wetenschap’.
Het meest toonaangevende symptoom daarvan, is dat wij in de lagere school onze kinderen blootstellen aan vakken zoals wiskunde, natuurwetenschappen en geschiedenis, maar geen vakken empathie, sociale vaardigheden of emotionele taal. Naar mijn gevoel zegt dat, dat wij het belangrijk vinden dat onze kinderen kunnen rekenen en de wereld kunnen uitleggen, maar dat de omgang met andere mensen ‘wel vanzelf zal groeien’, en dat het begrip van zichzelf en zijn geest al helemaal secundair is.

Onze geest gaat sneller vooruit dan ons lichaam. Kinderen leren wat wij hebben geleerd, omdat wij via de taal informatie van een stijgende complexiteit kunnen overleveren. Een hond die zichzelf een complexe handeling heeft aangeleerd, kan misschien via imitatie een tweede hond die handeling laten uitvoeren (met heel veel geluk en een vooronderstelde doelmatigheid, die een hond eigenlijk al niet heeft) maar kan niet, zoals wij, via een taal, een “idee” in een andere geest laten geboren worden.
We worden slimmer. Almaar slimmer. Onze taal neemt toe in kracht, in precisie. We worden ongeduldiger, omdat we niet meer moeten wachten.
Onze geest heeft gezocht naar manieren om te kunnen blijven leven, met het lichaam zoals het nu is. Het kan niet wachten op de biologische tijd van de mutatieve evolutie. Het leven van een wezen is mijns inziens echter eindig, en daar hoort nooit een oplossing op te komen. Dat is de fundamentele acceptatie van de cyclus van het leven.

Maar de geest maakt zich los van dat vervelende, onvolmaakte lichaam. We hebben de eerste bionische arm met succes ontwikkeld. Sami uit Gent heeft vanaf nu een arm die hij met zijn geest kan besturen. Sami zal de wetenschap via zijn ervaringen kunnen helpen om de technologie te perfectioneren.
In de jaren ’80 was dit een futuristische idee waar de trilogie van Terminator uit ontstond. Dat is 30 jaar geleden. Nog niet de helft van een mensenleven.

We worden slimmer in die zin dat wij niet meer helemaal opnieuw op basale informatie hoeven te botsen, om haar te kunnen gebruiken. Bijvoorbeeld met de komst van het internet zijn we in de mogelijkheid gekomen om onze kennis op onwaarschijnlijk ruime wijze met elkaar te delen. Er staan ‘tutorials’ op Youtube over alles wat je je maar kunt inbeelden.
Maar we worden ook niet slimmer, in die zin dat de uitkomst van volledige denkprocessen hergebruikt wordt, zonder dat de hele denkprocessen die aan de basis ervan liggen, mee ‘gevat’ worden. We leren als het ware vanbuiten dat serotonine een neurotransmitter is die gevoelens van euforie kan teweeg brengen, maar bijna niemand van ons heeft ooit de molecule serotonine door een supermicroscoop aanwezig gezien tussen twee zenuwcellen, zwevend in de synaps. Er staan filmpjes op Youtube waar je het kunt zien, maar er staan ook filmpjes op Youtube van mammoets in Siberië die op één of andere manier zouden overleefd hebben -waarom weten we dan toch, dat dat laatste helemaal niet kan?

Er worden grote stappen gezet voor alles wat materiële wetenschap betreft, alles aangaande wat er om ons heen gebeurt. Het grote gevaar blijft naar mijn gevoel, dat we daardoor ook automatisch op zoek gaan naar een ‘maat’, een getal, iets wat gemiddeld is. Als je geen grove inschatting kunt maken van hoe de dingen normaal gezien lopen, dan kun je ze moeilijker begrijpen.
Dat wordt al snel geëxtrapoleerd naar onze persoonlijkheid, onze gevoelens en onze voorkeuren. Als je meisjes uit de schoolpoort ziet komen, zijn ze bijna klonen van elkaar. Vroeger hing je uiterlijk af van je gezin, je ouders, in welke winkel die toevallig geweest waren om voor jou stof voor je kleding te kopen. Veel meer in het verlengde van de genetische overlevering, stom toeval en van weinig betekenis. Het hoefde niet te bepalen wie je was, of wie je kon zijn. Als je wat dikker was, dan was dat omdat je grootmoeder ook wat dikker was, en haar DNA door je aders liep. Dat wilde niet zeggen dat je minder was dan een ander, en al helemaal niet dat je persoonlijkheid geen erg boeiende verrijking kon zijn voor een andere mens.

Stel dat ze zo ver komen, dat een lichaam volledig bionisch kan worden. Dat organen, ledematen, volledige lichamen kunnen gereconstrueerd worden. Dat zelfs zenuwcellen kunnen worden nagemaakt of vervangen, wanneer zij slijten. Tot er niets meer overblijft van de cellen die zich gedeeld hebben in de baarmoeder, tot er alleen nog een ‘robot’ overblijft.
Dan vraag ik me af welke vorm die zal hebben. Zullen er dan nog ‘dikke’ mensen zijn? Zullen we dan niet verschrikkelijk saai en allemaal hetzelfde worden?
Anderzijds worden we dan misschien gedwongen om op zoek te gaan naar elkaars innerlijke.

Ik ben toch benieuwd naar hoe de wereld er over 20 of 30 jaar zal uitzien.

Zucht

Omdat het kouder wordt, deed ik daarjuist een dikkere trui aan. Een heel dikke wintertrui, eigenlijk. En een al even dikke sjaal. Gelukkig heb ik ook een fleecedeken om het helemaal volledig te maken. Op weg naar mijn kleerkast knuffelde ik mijn kat eventjes, waarna zij mijn been aanviel en ik gekke sprongetjes maakte om haar uit te dagen. Ik zag mijn weerspiegeling in de kastdeur, en werd eensklaps totaal verbrijzeld door zin in weed.

Is het de koude, en het knusse gevoel van dikke kledij? Is dat gekoppeld aan de warmte die ik krijg van de roes? Is het omdat ik mezelf ingepakt zag in een dikke wollen trui? Is het omdat ik alleen ben, en voor mezelf zorg zoals ik het wil? Op het tempo dat ik zelf wil? Is dat soms gekoppeld aan het geluk van stoned zijn?

Bij mijn weten is stoned zijn het enige gevoel wat echt geluk veinst. Volmaakte gelukzaligheid, tot het dat niet meer doet, en je noodgedwongen moet stoppen. Het komt wel altijd weer terug, als je een tijdje ‘weg’ bent geweest van het middel.
Een joint roken in een warm bad is nog altijd niet geëvenaard in mijn boekje. Of misschien door het roken van opium, maar daar durf ik me niet in verliezen want dan ga ik dood en dat vind ik nog wat vroeg. En opium is agressiever, dat deconnecteert je van jezelf, wat weed niet doet. Opium is een beetje eng eigenlijk. Het neemt je over. Je bent gegijzeld. Je voelt je erg goed, maar je weet dat je gegijzeld bent en het is toch niet helemaal zorgeloos. Het vergt een overgave die ik niet kan opbrengen.

Enkele dagen geleden, dit weekend eigenlijk, bekeek ik documentaires over Amy Winehouse en schrok ik wel een beetje. Al die tijd dat zij vocht, had ik geen interesse in haar. Terwijl haar lijden en haar verdriet zo groot waren. Ik had er altijd een aandachtzoekende tuttebel in gezien, eerst was ze gewoon, dan begon ze op te vallen door haar haren niet meer te verzorgen en eruit te gaan zien als een heks, en dan was ze dood.
Haar muziek vond ik stom, haar fanclub vond ik stom, en haar zoektocht naar uniciteit vond ik al helemaal stom want ze verscheen stomdronken op het podium en gaf daarmee een totaal gestoord voorbeeld aan tienermeisjes, die een groot deel uitmaakten van haar achterban. Dat nam ik haar kwalijk, waardoor ik haar expres meed. Stomme Amy Winehouse, doe toch normaal.

En nu zag ik de documentaire en werd ik stil. Ocharme. Wat heeft jou zo’n pijn gedaan, dat het op deze manier moest eindigen? Ze was heel jong toen haar faam begon, misschien heeft ze nooit haar identiteit voldoende kunnen vinden, om aan de middelen te kunnen weerstaan.
Ik blijf de echte verslaving, waar je je zodanig in verliest dat je sterft, intriest vinden. Het is zo bevreemdend. Hoe kun je toch zo verdwijnen in een fantasie dat het beter zal worden, hoe kun je je zo verwijderen van de realiteit? Hoe kun je jezelf niet meer zien, hoe kun je de kilo’s niet zien verdwijnen, hoe kun je je eigen handen niet zien verfijnen tot stokjes?
Ik herinner mij hoe dun ik was, hoe onherkenbaar in dofheid. Hoe ik dat inderdaad niet zag. Het was niet hoeveel ik afgevallen was, wat opviel. Het was hoe het licht in mijn blik verdwenen was, hoe het leven uit mijn poriën gezogen was.

Dat had zij ook, maar zij vond geen studies die haar zo boeiden, dat zij het kon keren. Zij vond geen pad, dat zo duidelijk een nieuwe toekomst voor haar opende, dat zij zonder omkijken kon kiezen.
Steenrijk en toch niet kunnen kiezen. Misschien was ze toch maar stom, uiteindelijk.

Een vreemde

Er is een man die ik al jaren ken, gewoon van op café. We hebben nooit lange of diepe gesprekken gehad (wel korte gesprekken die eensklaps de diepte in doken, en ook spontaan kort bleven). Maar we hebben altijd een band gehad. Eentje die niet uitgesproken wordt of veel woorden nodig heeft. Het is er, het is er van meet af aan geweest. Het is alsof ik hem moeiteloos kan lezen, alles wat in hem omgaat.

Er is geen verliefdheid, die is er nooit geweest. Er was in het begin een grote fysieke aantrekking, de eerste avond dat ik die man gezien heb heeft hij me trouwens schaamteloos binnengedraaid -wat ik op dat moment van ongeloof urenlang heb moeten verwerken. Zomaar, hij nam me bij de schouders en kuste me vol op de mond. Heel bizar, tegelijk fantastisch.

In ieder geval is daarna de band nooit helemaal weggegaan. Verder kan ik dat niet uitleggen, want ik heb nooit diepe of intense gevoelens voor hem gehad. Ik denk hij ook niet voor mij.
Maar de man torst heel wat. Hij is immens gevoelig, maar kan dat heel moeilijk “laten zien”. Ik zag dat binnen de paar seconden dat wij begonnen met praten, en heb het altijd heel raar gevonden dat anderen dat niet deden. Hij wordt ook gezien als een gesloten, iets of wat verbitterde persoonlijkheid.
Maar je zou voor minder. In plaats van zijn verbittering te beantwoorden met begrip, met tijd en met een echte, gegronde vraag “hoe gaat het met je, wat is er aan de hand”, wordt hij veel gemeden of worden diepere gesprekken uit de weg gegaan. Het is precies dat, wat hem nog bitterder maakt.

Over enkele jaren zie ik hem breken. Ik zie hem, in zijn frustratie, heel domme dingen doen. Suïcide of zelfs anderen vermoorden. Hij leeft voortdurend op een randje, amper en met het uiterste van zijn energie zichzelf bij elkaar houdend. Dat voel je, en dat zie je. Zijn kaken zijn op elkaar geklemd, zijn blik is vlijmscherp.
Waarom reageren we op extreem of ongepast gedrag altijd met afwijzing, bestraffing en uitsluiting? We sturen mensen de gevangenis in, met al hun woede, al hun denkfouten, al hun wanhoop. Om alleen in een cel te zitten, overwoekerd door al die dingen. Al wie geen goedaardige kern van gewapend beton heeft, raakt verstrikt in circulaire associaties, tot er alleen nog een razende hond overblijft, gedoemd tot recidive zodra de kooi weer open gaat.
Onze samenleving is grotendeels een kopie van ons rechtssysteem. Doe normaal en irriteer uw medemens niet, of wij keren je de rug toe tot je zodanig eenzaam wordt dat je noodgedwongen weer tot jezelf komt en beseft dat jij ongelijk had. Dat is de enige manier waarop wij je terug zullen verwelkomen in onze samenleving. Doe wat wij u opleggen, of je ligt eruit. En dat gedachtegoed wordt alleen maar erger, en de angst om ‘eruit te liggen’ wordt alleen maar groter waardoor de verdraagzaamheid afneemt.

Het maakt me intens droevig, dat ik die dingen over hem voel, die onrust, die bezorgdheid, terwijl ik hem amper ken. Zouden mensen, die dichter bij hem staan, het ook hebben? Of heeft hij niet het geluk dat ik heb, om mensen om zich heen te hebben die niet bang zijn van bepaalde onderwerpen. Misschien is er niemand die hem zou aanspreken, “hee, red je het nog”.
Doen wij dat eigenlijk wel voor elkaar? Waarom moet onze steun en onze attentie altijd zo exclusief, zo speciaal zijn? Waarom vragen we nooit aan iemand die we niet zo heel goed kennen, ‘ik ken u niet zo goed, wie ben jij eigenlijk, wat is uw verhaal’.

Eigenlijk begrijp ik hem, en zijn kwaadheid, verschrikkelijk goed. Het is slopend om zo gevoelig te zijn, en voortdurend verkeerd begrepen te worden of zelfs afgestraft. We zijn zo beenhard voor elkaar. We zijn zo clubgericht, als je niet in het clubje zit interesseert uw leven niemand.

Welkom in de Kempen.

Ik zal hem nooit verlaten. Een celdeur redt niemand; alleen mensen redden elkaar.

Kots

Na een langere tijd onder het wateroppervlak, voel ik me alsof ik weer boven kom, en naar adem hap. Het leek wel of ik geen zuurstof kreeg, alles wat ik opving met mijn zintuigen was gefilterd, gedempt, automatisch van zijn intensiteit ontdaan door het zuurstoftekort.
Ik heb geen idee wat ervoor heeft gezorgd dat ik weer boven kwam. Ondertussen ben ik bijna twee weken gestopt met cannabis roken, maar het bovenkomen ging aan die beslissing vooraf. Blowen doe ik, wanneer ik onder water hang en het gevoel heb dat ik me moet beschermen tegen de ondraaglijkheid van de situatie.

Normaal is het tijdens de Winter, dat mijn emotionele curve daalt. Maar dit jaar is de zomer een diep dal geweest, zonder wanhoop maar wel van grote omvang. Deze ontwaking voelt zelfs, alsof het geen seizoen meer is, maar een groeiproces dat ditmaal een volgende curve onnodig heeft gemaakt. Er is werkelijk iets veranderd in mijn denkwijze, waardoor de stroom aan informatie van alledag op een totaal andere manier binnenkomt. Een veel aangenamere manier. In plaats van mij te overspoelen of te doen verdrinken, is er nu een grotere innerlijke rust vanwaaruit ik op een veel efficiëntere manier kan kiezen welke informatie ik gebruik en welke ik negeer.
Daarmee gepaard stijgt mijn zelfvertrouwen, en dus ook mijn sociale vaardigheden naar anderen toe. En dat is het mooiste geschenk, nog altijd. Wanneer ik iets voor een goeie vriendin kan betekenen, helen al mijn wonden, al is het maar eventjes. Heel eventjes voel ik zo met haar mee, dat mijn pijn helemaal weg is, dat ik helemaal verlicht ben van mijn bagage.

Het is nu tijd voor iets anders. Het is nu tijd om verliefdheid die twijfel baart, te laten voor wat ze is. Tijd om relaties die kritiek spuien, te mijden. Tijd om gedachten die verdriet bovenhalen, te herkennen en in te dijken.
Het is wel vaker zo dat ik uit een kwade periode stap, en beloftes aan mezelf maak dat ik ‘vanaf dan’ niet meer zal dwalen in de depressie. Dat ben ik mezelf nu eenmaal verschuldigd. Al lukt het me niet, ik moet het elke keer proberen.

Ik hoop een manier te vinden om mijn creativiteit te kunnen kanaliseren, zonder dat zij vanuit verdriet of lijden hoeft voor te komen.
Soms vraag ik me af, of mijn eeuwige overpeinzing en droefheid, niet door mijn creativiteit wordt voortgebracht zodat zij zich in iets kan uiten. Of het niet een hardnekkig mechanisme is, dat zich totaal buiten mijn controle om in gang zet, omdat anders een scheppingsdrang mij van binnenuit zou verwoesten. In plaats van een chronische, circulaire stemmingstoornis, is het misschien juist mijn creativiteit die aan mijn controle ontsnapt.
Wat ook zo hoort. Creativiteit is niet gemaakt om gestuurd of gepland te worden. Zij is wild en vrij. Van alles.

Het is misschien aan mij om haar andere zaken aan te reiken, haar te steunen in mij, in plaats van haar te vrezen en daarom te proberen beknotten. Schrijven is mijn heil, het redt mij van mezelf. Schrijven heeft mij een spiegel gegeven, waardoor ik mezelf  heb leren zien en begrijpen.
Met begrijpen bedoel ik de cognitieve toestand, waarin men mentaal een concept volledig vasthoudt. Als een hand, heb ik geleerd om mijn persoonlijkheid, mijn gedachten en mijn gevoelens te aanschouwen en te dragen. Als een hand, kan ik mezelf keren, draaien, inspecteren. Het enige waarover ik me verwonder, is het prangende bewustzijn waarmee dit proces zich voltrokken heeft. Bijna dag na dag, heb ik kunnen voelen en overdenken hoe dit zich heeft geperfectioneerd. Het begon met het plotseling beseffen hoe ik overkwam, soms, plotseling, zomaar. Willekeurig kon ik mezelf zien, horen, verplaatste ik me in een ander en voelde ik mij overkomen.

Schrijven is het enige, wat mij helpt om te groeien, te leren, te leven. Het duwt zichzelf naar buiten, desnoods breekt het mijn beenderen onderweg, als er niet genoeg ruimte is om erdoor te kunnen, naar buiten, naar buiten, naar buiten. Alles moet naar buiten, het is alsof ik kots.
Emoties, gedachten, innerlijke bewegingen, ze moeten naar buiten en ik moet alle respons ondergaan (positief en negatief) om te kunnen zien wat ik ben. Zonder de creatie, kan ik mezelf niet zien. Zonder het schepsel ben ik blind. Wat ik uitbraak botst op anderen, waardoor duidelijk wordt wat mijn vorm is. Door het schrijven heb ik geleerd om mezelf te containen, een psychologische term die doelt op het overzien van de eigen emoties binnen het kader van de eigen persoonlijkheid en de situatie waarin men zich bevindt. Het is een latent maar stabiel vermogen om de eigen verschillen met zijn sociale omgeving te (h)(er)kennen en te kunnen aanvaarden. Door die stabiliteit geeft het een veiligheid; men weet wie men is en hoe men reageert, men kan de eigen gevoelens verdragen omdat ze voorspelbaar blijven. Men kan daardoor ook veel hevigere of plotse reacties van anderen verdragen, zij zijn veel minder bedreigend vanuit de veiligheid van het eigen innerlijke.

Had men mij tien jaar geleden gevraagd wat ik graag wou bereiken, dan had ik steevast geantwoord; rust. Innerlijke rust.
Het heeft me jaren gekost, maar eindelijk voel ik mezelf dichterbij schuifelen.