Synaps

Een steeds vaker terugkerend thema in de fictie (hetzij film, hetzij literatuur) en de wetenschap, is de artificiële intelligentie. Hoe dat precies gedefinieerd wordt volgens de filosofie, weet ik niet. In mijn hoofd gaat het over een vorm van zelfbewustzijn die niet organisch tot stand komt, niet gebaard wordt door een gelijke, niet gedragen wordt door een baarmoeder.

Volgens mij bestaat het nog niet, maar dat kun je denk ik vanuit mijn positie nooit zeker weten. Misschien is er een geheim labo ergens waar het al wordt uitgedacht, er zijn wetenschappelijke theorieën die zeggen dat zelfs wij eruit voortgekomen zijn en dat het dus altijd al bestaan heeft.

Maar wat is ‘altijd al’, om te beginnen? Ons besef van tijd is gebaseerd op wat Einstein en anderen ooit uitdachten, samen met ons idee van de tijd is ook ons hele bewustzijn veranderd.
Een prehistorische mens die ontwaakt, en de zon ziet opkomen en in de verste verte niet weet wat die grote schijnende bol is, of waar hij vandaan komt, moet toch ook helemaal anders over zichzelf denken, dan wij. Als je onder de zon staat, voel je de stralen en als je je ogen sluit en je handen opent naar de zon toe, dan voel je dat het licht, de warmte en al het leven wat de zon ons gegeven heeft, van die blinkende bron aan de hemel komt. Je hebt geen begrip nodig van de astronomie om dat gewoon te weten. Alsof dat idee altijd al in je hersenen zat, alsof die informatie al een deel uitmaakt van je neuronen terwijl je nog groeit in de buik van je moeder.

Hoe meer we op zoek zijn gegaan naar antwoorden en oplossingen voor ‘waarom’ de dingen gebeurden, hoe meer we misschien verwijderd zijn geraakt van alle antwoorden. We zoeken ze buiten ons, we zoeken ze in het universum, in het verleden, in de fysica en de chemie.
Dat is volkomen begrijpelijk en een onontbeerlijke stap in onze evolutie. Maar onze evolutie heeft zich als het ware verplaatst, lijkt het. We zijn zoals we nu zijn, in onze fenotypische gestalte, terwijl onze geest grote sprongen maakt in wat het weet, wat het begrijpt. Ideeën en manieren van kijken worden onze kinderen op school aangeleerd zoals ze zijn, als zijnde ‘de waarheid’ en ‘de nieuwste wetenschap’.
Het meest toonaangevende symptoom daarvan, is dat wij in de lagere school onze kinderen blootstellen aan vakken zoals wiskunde, natuurwetenschappen en geschiedenis, maar geen vakken empathie, sociale vaardigheden of emotionele taal. Naar mijn gevoel zegt dat, dat wij het belangrijk vinden dat onze kinderen kunnen rekenen en de wereld kunnen uitleggen, maar dat de omgang met andere mensen ‘wel vanzelf zal groeien’, en dat het begrip van zichzelf en zijn geest al helemaal secundair is.

Onze geest gaat sneller vooruit dan ons lichaam. Kinderen leren wat wij hebben geleerd, omdat wij via de taal informatie van een stijgende complexiteit kunnen overleveren. Een hond die zichzelf een complexe handeling heeft aangeleerd, kan misschien via imitatie een tweede hond die handeling laten uitvoeren (met heel veel geluk en een vooronderstelde doelmatigheid, die een hond eigenlijk al niet heeft) maar kan niet, zoals wij, via een taal, een “idee” in een andere geest laten geboren worden.
We worden slimmer. Almaar slimmer. Onze taal neemt toe in kracht, in precisie. We worden ongeduldiger, omdat we niet meer moeten wachten.
Onze geest heeft gezocht naar manieren om te kunnen blijven leven, met het lichaam zoals het nu is. Het kan niet wachten op de biologische tijd van de mutatieve evolutie. Het leven van een wezen is mijns inziens echter eindig, en daar hoort nooit een oplossing op te komen. Dat is de fundamentele acceptatie van de cyclus van het leven.

Maar de geest maakt zich los van dat vervelende, onvolmaakte lichaam. We hebben de eerste bionische arm met succes ontwikkeld. Sami uit Gent heeft vanaf nu een arm die hij met zijn geest kan besturen. Sami zal de wetenschap via zijn ervaringen kunnen helpen om de technologie te perfectioneren.
In de jaren ’80 was dit een futuristische idee waar de trilogie van Terminator uit ontstond. Dat is 30 jaar geleden. Nog niet de helft van een mensenleven.

We worden slimmer in die zin dat wij niet meer helemaal opnieuw op basale informatie hoeven te botsen, om haar te kunnen gebruiken. Bijvoorbeeld met de komst van het internet zijn we in de mogelijkheid gekomen om onze kennis op onwaarschijnlijk ruime wijze met elkaar te delen. Er staan ‘tutorials’ op Youtube over alles wat je je maar kunt inbeelden.
Maar we worden ook niet slimmer, in die zin dat de uitkomst van volledige denkprocessen hergebruikt wordt, zonder dat de hele denkprocessen die aan de basis ervan liggen, mee ‘gevat’ worden. We leren als het ware vanbuiten dat serotonine een neurotransmitter is die gevoelens van euforie kan teweeg brengen, maar bijna niemand van ons heeft ooit de molecule serotonine door een supermicroscoop aanwezig gezien tussen twee zenuwcellen, zwevend in de synaps. Er staan filmpjes op Youtube waar je het kunt zien, maar er staan ook filmpjes op Youtube van mammoets in Siberië die op één of andere manier zouden overleefd hebben -waarom weten we dan toch, dat dat laatste helemaal niet kan?

Er worden grote stappen gezet voor alles wat materiële wetenschap betreft, alles aangaande wat er om ons heen gebeurt. Het grote gevaar blijft naar mijn gevoel, dat we daardoor ook automatisch op zoek gaan naar een ‘maat’, een getal, iets wat gemiddeld is. Als je geen grove inschatting kunt maken van hoe de dingen normaal gezien lopen, dan kun je ze moeilijker begrijpen.
Dat wordt al snel geëxtrapoleerd naar onze persoonlijkheid, onze gevoelens en onze voorkeuren. Als je meisjes uit de schoolpoort ziet komen, zijn ze bijna klonen van elkaar. Vroeger hing je uiterlijk af van je gezin, je ouders, in welke winkel die toevallig geweest waren om voor jou stof voor je kleding te kopen. Veel meer in het verlengde van de genetische overlevering, stom toeval en van weinig betekenis. Het hoefde niet te bepalen wie je was, of wie je kon zijn. Als je wat dikker was, dan was dat omdat je grootmoeder ook wat dikker was, en haar DNA door je aders liep. Dat wilde niet zeggen dat je minder was dan een ander, en al helemaal niet dat je persoonlijkheid geen erg boeiende verrijking kon zijn voor een andere mens.

Stel dat ze zo ver komen, dat een lichaam volledig bionisch kan worden. Dat organen, ledematen, volledige lichamen kunnen gereconstrueerd worden. Dat zelfs zenuwcellen kunnen worden nagemaakt of vervangen, wanneer zij slijten. Tot er niets meer overblijft van de cellen die zich gedeeld hebben in de baarmoeder, tot er alleen nog een ‘robot’ overblijft.
Dan vraag ik me af welke vorm die zal hebben. Zullen er dan nog ‘dikke’ mensen zijn? Zullen we dan niet verschrikkelijk saai en allemaal hetzelfde worden?
Anderzijds worden we dan misschien gedwongen om op zoek te gaan naar elkaars innerlijke.

Ik ben toch benieuwd naar hoe de wereld er over 20 of 30 jaar zal uitzien.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s