Brand

Het zou heel vroeg kunnen zijn, maar jammer genoeg is het heel laat. Ik heb nog altijd geen oog dicht gedaan.

Gitzwarte gedachten, ideeën, fantasieën spoken door mijn hoofd en ik krijg ze niet uitgewist of verzet. Daarjuist heb ik een strijd van tien minuten gevoerd tegen de zucht, ik had alles al klaar liggen. Blaadjes, tabak, tipjes, weed, alles lag naast mijn hoofdkussen en ik ging een joint rollen om nog op te roken terwijl ik naar een serie keek op mijn laptop. Lekker knus onder de deken zou ik dan wegsoezen, in een slaap van lage kwaliteit maar van diepe aard.
Maar ik moest eerst even naar de WC, want pissen wanneer je stoned bent is klote. Alles kost energie, dat wilde ik mezelf niet aandoen.

Ik vloekte. Ik vloekte dat de muren ervan bloosden. Tien minuten lang heb ik in het deurgat van mijn slaapkamer gestaan, mijn materiaal aanschouwend. Ik nam de tijd, om alles op een rijtje te zetten. Waarom ik twijfelde, waarom de twijfel een waterkans was, waarom de twijfel mijn enige kans was.
Uiteindelijk heb ik resoluut alles weer weggezet. Vandaag heb ik gewonnen, voor een dag.

Maar dan. Vanwaar kwam de zucht? Van een klootzak in desbetreffende serie, die een joint aan het roken was. Achteloos, moeiteloos.

Ik moet denken aan morgen, een shift met een collega waar het niet mee botert. Een collega die mij een lelijke loer heeft gedraaid, en zich in de nawee van de strijd, wanneer ik al vermoeid en uitgeblust was, nog snel is komen excuseren en zich er snel vanaf heeft gebracht. Ik had geen gevecht meer in mij, en dat wist hij. Snel zijn eigen geweten sussen, en naar huis gaan. Het heeft lang geduurd voor ik me realiseerde dat ik kwaad op hem was, en waarom.
Nu weet ik het.

Dan beginnen de droevige, lelijke verhalen. De ex van een goeie vriend van mij is systematisch zijn sociale kring beginnen opzoeken. Zij beweert dat het toeval is, maar dat is het waarschijnlijk niet. Ik wilde een gemeenschappelijke vriendin in nood helpen, die mij uitdrukkelijk had gevraagd om een gesprek. Maar dat mocht niet van die ex, “want ik was een vriendin van haar ex”. Belachelijk.
Ik ben haar gaan opzoeken, rechtstreeks. Wat is jouw probleem, ik ken je amper. Waar moei jij je mee.
Op haar eigen lompe manier heeft ze voor me gekropen om het goed te maken, zoveel assertiviteit was ze blijkbaar niet gewend ofzoiets. Ze hoopte dat we vanaf nu vriendinnen konden zijn, alsof het uitdovende conflict ook betekende dat ik respect voor haar had (of moest hebben?). Dat was niet zo.
Ik beeld me in dat ik haar tegenkom in het nachtleven, dat ze opnieuw met me begint te praten, dat ze opnieuw over vriendschap begint en dat ik haar een halt moet toeroepen. Dat ik haar moet zeggen; luister, ik heb niks tegen je, maar ik wil helemaal geen vriendinnen met je zijn, want jij bent een zelfingenomen en nogal dom meisje. Dat is ook zo. Zij wordt razend, zij maakt een scène. Ik ontvlucht het feest en ga naar een club waar ik vaak kom. Ik zet me neer met een vriend, ik rook een sigaret en ik vertel wat er gebeurd is en waarom ik daar gevlucht ben van alle drama.
Daar komt zij aan, zat en boos. Ze ziet mij, ze stuift op me af en begint te schelden (zo is ze dan, dit is mijn fantasie maar dit is echt hoe ze is). Ik zeg dat ze belachelijk doet en mij met rust moet laten, ik ben allesbehalve geïntimideerd. Zij voelt dit, doet er een schepje bovenop en grijpt me bij de haren. Ze trekt en sleurt. In een reflex geef ik haar een kopstoot, zij is even helemaal uit haar elan gehaald en wankelt naar achteren.
Buiten op het terrasje, waar ik zat te roken, staan van die schalen met kaarsen in. Ze wankelt nog steeds en ik zie haar het evenwicht verliezen, recht op een brandende kaars. Zo erg bedoelde ik het nu ook weer niet (ik vind het al erg genoeg dat ik reflexmatig mogelijk iemands neus heb gebroken), ik probeer haar tegen te houden in haar val en we vallen uiteindelijk allebei op de grond. Zij links van mij, ik val met mijn achterbeen in de kaars, die daardoor uitdooft.

Er staat een kring mensen om ons heen, zij bloedt hevig uit haar neus. Ik probeer haar nog te helpen, maar zij wordt nu omgeven door mensen die haar kennen en die hulp is waarschijnlijk meer welkom nu. Ik ben half in shock van mijn eigen gedrag. Ik schaam me vooral, heel, heel diep. Ik huil een beetje maar dat voel ik niet echt.
Ik sta op en ik wandel naar huis.
Wanneer ik bijna thuis ben begin ik te voelen dat mijn sok geluid maakt bij het stappen, alsof ik in moeras stap. Ik kijk naar mijn voet en zie dat heel de achterkant van mijn broek donker ziet (in het straatlantaarnlicht zie ik alleen licht of donker, geen kleuren). Ik weet meteen hoe laat het is; in mijn achterbeen heb ik een gigantische brandwonde die nu hard aan het bloeden is. Bij de voordeur bel ik de ambulance die mij komt halen en mijn wonde wordt verzorgd.
Die nacht maak ik nog even koorts, ‘s morgens mag ik weer naar huis.

Ik kom thuis en ik ben alleen. Ik moet naar het werk bellen en uitleggen waarom ik niet kan komen werken.

Dat zijn mijn gedachten ‘s nachts, soms.

Waarschijnlijk symptoom of symbool voor iets wat me werkelijk bezighoudt. (Het is de eerste keer dat ik schrijf over deze scenario’s die zich soms ontpoppen in mijn hoofd. Het is heel vreemd om het te lezen. Misschien helpt dit om te slapen, denk ik dan maar.)

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s