Struikel

De tijd en het slaaptekort zijn misschien mijn grootste vijanden. De tijd omdat zij mondjesmaat, als een langzaam progressieve ziekte, steeds meer weggemoffelde emoties aan me bloot legt, en het slaaptekort omdat die zorgt voor de negatieve ondertoon aan die gevoelens.

Dit is mijn cyclus, ik ken ze. Alleen op deze manier kan ik “grote schokken” incasseren; door eerst als een egeltje alles af te stoten, en dan als ik er klaar voor ben, als ik mijn krachten heb kunnen sparen, voorzichtig te beginnen voelen.
Het is niet eenvoudig om toe te geven maar elke keer ik struikel over mijn eigen wapenuitrusting, leer ik mezelf beter kennen. Ik begrijp beter welke wapens op welke momenten handig zijn, en welke overbodig zijn geworden. Ik verbaas me vooral over hoe hardnekkig ik me aan sommige dingen vasthoud. Het maakt me boos, want ik wil het niet maar het is zo sterk, en door die boosheid wordt mijn hele proces vertraagd. Het maakt me ook boos dat zoveel mensen om mij heen niet begrijpen dat ik dit niet expres doe. Daarmee wil ik me niet onttrekken aan de verantwoordelijkheid voor mijn daden, maar de manier waarop ik nu ben aangesproken was verwijtend en dat impliceert naar mijn gevoel een keuze die ik volgens hen had. En dat klopt niet.

In feite ben ik niet gekwetst, niet meer en niet door mijn collega’s. Ik ben geconfronteerd met mijn tekortkomingen zoals zij nu het gevolg zijn van mijn levensloop, op een constructieve en terechte manier door iemand van buitenaf, en dat begrijp en aanvaard ik. Ik ben vooral gefrustreerd over hoe de anderen zich moeiteloos hebben ontdaan van hun opgekropte frustraties, en hoe machteloos ik daar tegenover sta. Er is op een eenzijdige manier gebruik gemaakt van mij als een vat voor al hun onmacht en hun eigen gebreken. En er is geen ruimte voor mij om dat aan de kaak te stellen, want alles is nu op mij gericht en ik zou defensief overkomen.
Die niet-te-kanaliseren woede is het meest invaliderende, bevriezende gevoel dat ik kan hebben. Wanneer mijn razernij te groot wordt, te lang blijft hangen, teveel schade aanricht, dan ontsnapt zij als het ware uit mij. Dan wordt zij een allesverterende kracht die alles om mij heen verbrandt, en mij meesleurt in haar val. Daar ben ik bang voor.

Er springen tranen in mijn ogen van pure kwaadheid, wanneer ik denk aan de houding van die mensen die zichzelf hulpverleners noemen. Ik mag aangesproken worden over mijn tekortkomingen, op de meest vernederende en respectloze manier denkbaar, maar ik mag ze niet van een weerwoord dienen.
Het is zoveel om te verkroppen. Er is zo weinig ingegrepen.

En nu ga ik een tijd op rust op een andere afdeling, en daar gaat niks mee gebeuren. Ik ga geen excuses krijgen. Niemand gaat met het schaamrood op de wangen zijn eigen deel hierin onder ogen moeten zien, zoals ik dat zo vaak heb moeten doen voor dat team -want mijn fouten heb ik nooit ontkend. Ze gaan gewoon denken, zij moest weg want zij was het probleem.
En dat vervult mij met een hulpeloos gevoel.

Advertisements

Diepvries

Ondanks dat ik mezelf had voorgenomen om vandaag op tijd te gaan slapen, sprongen helaas, net voor de echte slaap me vatte, allerlei gedachten op die ik al de hele dag wegprop. Eigenlijk heb ik al zes kinderen van kleuterleeftijd of zo, in de vorm van opdringerige gedachten. Mamaaaaa kwil chocooooo. Was ik iets moeër geweest, hadden die zich wel ontpopt tot één of andere bizarre droom.
Eigenlijk ben ik doodsbang, teleurgesteld en heel boos/verdrietig. Dat zijn veel gevoelens tegelijk, die des te vermoeiender zijn in elkaars combinatie. Vanochtend deed ik een oprechte maar niet minder moedige poging om in dialoog te gaan met een collega over de samenwerking die de laatste weken tot een conflict had geleid. En die dialoog werd eigenlijk afgeketst. En het ergste was; ze bedoelde het zelfs niet zo. Ze zei niets van ‘ach, we moeten het daar niet over hebben’, of zo.
Het interesseerde haar gewoon geen moer, ze liet me uitpraten maar had er verder totaal niks aan toe te voegen.
Misschien verdien ik dat, maar volgens mij ben je in tijden van conflict met twee, altijd, en dit is echt vreselijk koud.

Die mensen zijn vreselijk. Waarom en hoe zijn mensen zo. Waarom kun je zo zijn als iemand zich kwetsbaar toont. Waarom zou ik het nog doen.
Het enige wat ze zeggen is “je hebt een hele weg te gaan”, alsof ik de enige ben die een weg af te leggen heeft. Alsof niet iedereen altijd een weg te gaan heeft. Hoe moet ik hier nu mee verder? Hoe doe ik nu het juiste? Wanneer houdt dit op?
Ik wil eens goed ziek worden. Een longontsteking of een hersenvliesontsteking, echt doodziek aan een baxter hangen en efkes met de dood vechten. Dan kan ik dit even opzij leggen, dan hoeft dat niet zo’n belang te hebben. Toch? Ik verlang altijd naar heel ziek zijn, omdat ik nooit ziek ben. Ziek zijn lijkt zo’n knusse, ik-kan-er-echt-niks-aan-doen-tijd, waarin niemand een uitleg van je vraagt. Je bent gewoon ziek.
Maar de verwerking van trauma’s, het overleven van mijn jeugd, het ‘een plaats geven’ van mijn gespleten sociale netwerk (gebruikers-niet-gebruikers/collega’s), daar kan ik wel iets aan doen. Stoute Clémence, gedraag u.

Sociaalnetwerkontsteking, dat heb ik. Waar is dien baxter.

Slaap

Dit is nu al de tweede, misschien “nutteloze” vrije dag. Morgen is de laatste, dan ga ik iets doen met een vriendin. Al de voorbije dagen heb ik geslapen en documentaires gekeken. En geblowd (één zuivere joint per dag). Ook vandaag weer ben ik wakker geworden om 12 u ‘s middags, ben ik verhuisd van bed naar zetel, en ben ik bijna onmiddellijk terug in slaap gevallen. Vandaag heb ik zelfs niet meer geblowd, alleen blijf ik moe.

Dingen weg slapen is iets wat ik in opname ook een hele tijd deed. Als je slaapt, verwerk je dingen of zo. Overdag op het werk ben ik ook heel vaak moe, maar dan moet ik vechten tegen die reflex van ergens in een donker hoekje te gaan liggen. Het doet zo’n deugd om aan elk dutje te mogen toegeven, en lekker niks te plannen.
Het is nu de tweede dag dat ik niemand heb gezien, heerlijk is dat.

Eigenlijk geniet ik hier intens van, maar ik vraag me dan af, hoe mensen met kinderen leven. Dan gaat dat allemaal niet meer, vermoed ik, zeker niet als moeder. Misschien is dat wel het enige waar ik me zorgen over maak als ik denk aan mijn toekomst. Slaaptekort.

Daarstraks werd ik wakker en leek plots mijn werk geen zin te hebben, zoals we het nu aan het doen zijn. Ineens leek het allemaal ver verwijderd van waar ik in geloof, een acuut contrast tekende zich heel duidelijk af in mijn hoofd. Het bleef een minuutje hangen, daarna vervaagde het, toen mijn hoger bewustzijn en haar gewoonten en vanzelfsprekendheden terug helemaal in werking traden.
Zou dat de reden zijn, dat ik het zo moeilijk vind om in teamverband te werken? Omdat ik diep vanbinnen niet akkoord ben met de afdelingsstructuur? Dat leek me wel een troostende gedachte, dat er altijd een kern blijft vechten, of ik het nu doorheb of niet. Dat ik me niet zomaar laat corrumperen. Heel de psychiatrie is toch uiteindelijk een totale klucht… Mensen vertellen wat ze wel en niet mogen, wat ze moeten, hoe ze het moeten. Elke keer ik dat per ongeluk doe, omdat zij anders niet op de afdeling “passen”, sterf ik vanbinnen, en soms gebeurt het allemaal nog voor ik het door heb. En dat ze dan nog luisteren, als gedweeë schaapjes, en dat ik dan nog het gevoel heb mijn werk goed te doen!

Nee, een groot deel van het probleem blijft mijn superioriteitscomplex en mijn agressie. Beide wapens, en dus geen werkelijke afspiegelingen van wie ik ben, maar daarom niet minder problematisch.
Het is moeilijk om op een realistische manier je plaats te verkennen, als je voelt en weet (en hoort! van alle kanten!) dat je slimmer bent dan de meesten. Dat je een groot talent hebt tot empathie. Dat lijkt de belangrijkste eigenschap in de zorg, maar natuurlijk is planningsvermogen, overzicht en structuur ook belangrijk daarbuiten. Alleen wordt daar geen Mexican wave voor gedaan, wat een planningsvermogen, waaw wat een goeie verpleegkundige!

Maar intussen weet ik ook, dat agressie en ‘mezelf opblazen’ alleen gebeurt in gezelschap van de verkeerde mensen. En dat ik moet onthouden om me te omringen met de juiste mensen, dat is belangrijker dan eenzijdig aan mezelf sleutelen.
Het probleem is dat je je team niet kunt kiezen. En het team mij ook niet.

Voor 23 (of zo iets) collega’s is dat geen noemenswaardig probleem, maar bij die ene wel. Waarom is dat zo! Iedereen kan onopgemerkt zijn weg vinden in het team, behalve ik. Ben ik rigide? Ben ik antisociaal (soms wel, denk ik, wanneer ik zonder spijt de waarheid op een heel pijnlijke manier op een ander zijn bord leg)?
Ik ben beschadigd, flapte het er dinsdag uit tijdens een gesprek met een collega. Daar heb ik vrede mee.

Loyaal

Eigenlijk waren mensen nooit mijn beste vaardigheid. Al heel mijn leven val ik buiten groepen. Op school, in opname, in de hogeschool, en nu op het werk herhaalt zich dat. Er zijn altijd wel een paar (sterke) steunfiguren die ik opzoek en die mij uitzoeken. Dat zorgt voor een bizarre dynamiek, want die steunfiguren zijn vaak wel heel sociaal vaardig en hun anders-zijn wordt aanvaard door de groep. Zij worden als het ware de schakel tussen mij en de rest van de groep, waardoor ik er niet volledig buiten val. Ik weet niet hoe dat komt. Conformeren of smelten binnen een groep vind ik tegelijk aantrekkelijk, maar tegelijk slaag ik daar vanbinnen nooit in.

Ik kan die steunfiguren uit mijn leven zo opnoemen, nog altijd. Dat zijn er een handvol, en ik heb met allemaal nog steeds contact. Dus het is niet dat ik geen banden smeed, integendeel. Alleen smeed ik er ofwel echte, duurzame, ofwel helemaal geen.
En als er geen band is, dan is er eigenlijk amper contact. Nietszeggend, betekenisloos contact ervaar ik als een foltering omdat ik het niet begrijp, voor mij is dat tijdverlies.

Kwetteren over koetjes en kalfjes is iets heel bijzonder, wat ik anderen soms hoor doen. Ik wou dat ik het kon reproduceren, dat gestaag kabbelende stroompje aan non-informatie, maar dat kost mij verschrikkelijk veel moeite. Het wordt een beredeneerde bezigheid, ik denk na over hoe veel ik de ander aan het woord laat, of ik nu een vraag zou moeten stellen om beleefd te zijn, of de ander de ruimte krijgt om te zeggen wat ze willen zeggen. Na een kwartier ‘babbelen’ ben ik eigenlijk doodop.
Wanneer er veel mensen zijn rondom mij, word ik moe van alle signalen die ik opmerk en op mezelf betrek. Lachte ze naar mij? Moet ik nu iets zeggen om haar op haar gemak te stellen? Dat houdt nooit op, nooit.

Zelfs een simpele taak als het opruimen van de keuken doe ik liever niet in het bijzijn van een collega, tenzij het één van de steunfiguren is.

Nochtans, wanneer ik goed en wel opgenomen ben in de groep (soms gebeurt dat wel), kan ik “loskomen”. Eens om de zoveel jaar heb ik zo’n moment in schoolcontext of werk. Bij mijn vrienden heb ik dat altijd. Ik geniet intens van bij hen zijn, ze verstaan mij, ze kwetteren over vanalles en ik kwetter zorgeloos terug, want als ik op welke manier dan ook te ver ga, dan krijg ik onmiddellijk respons. Soms wou ik dat ik kon laten zien hoe zij met mij omgaan, maar dat is natuurlijk iets van jaren.
Alleen dan gaan al mijn muren naar beneden. Alleen dan kan ik zijn in het “nu”, een beetje dronken, een beetje stoned, omringd door mensen die heel mijn verhaal kennen en verstaan. Mensen die weten hoe het is om met een groot verschil te moeten overleven in onze samenleving, misschien.

 

Vreemde dingen

Gisterenavond ging ik uit met vrienden, ik vond het fijn. Maar plots, na amper een uur ter plaatse, kon ik nog maar één ding denken: ik wil alleen thuis zijn, veel te veel eten en nadien alles overgeven. En dat is precies wat ik gedaan heb.

Geen flauw idee wat er gebeurde. Ineens was dat het enige wat ik nog kon doen. Verder is er niks aan de hand ook… bizar toch.

Aan mijn klasgenoten

Dit is voor de jonge mensen die in mijn klas zaten, op het moment dat er besloten werd dat ik opgenomen moest worden, tien jaar geleden.

Het staat buiten kijf dat ik voor onrust zorgde, zeker binnen het erg gestructureerde kader van het college waar ik toen nog maar enkele maanden school liep, in een laatste, waarlijk wanhopige poging om mij op de rails te krijgen. Ik had nooit mijn boeken bij, ik sliep veel in de les (jullie weten misschien niet eens, dat ik dat niet deed uit protest, maar omdat ik ‘s nachts in mijn eigen bed uren lang wakker lag, huilend, niet begrijpend wat er met mij aan de hand was) en tijdens de lessen L.O. pruttelde ik tegen omdat mijn jonge lijf niet de energie had die het had moeten hebben.
Nochtans was ik ook een overduidelijk goed bedoelend kind. Anderen die het moeilijk hadden, hadden met mij kunnen praten. Sommigen deden dat ook, heel stiekem, want ik was het gekke kind waarvan ouders zeiden “daar moet je niet teveel mee omgaan”. Ouders hebben de mijne gebeld, vragend om mij op afstand te houden. Ik werd vals beschuldigd van dingen zoals diefstal, gewoon omdat ik overduidelijk een moeilijke tijd doormaakte en dan wel aan het stelen moest zijn geslagen. Toen bleek dat een rijk advocatenzoontje de diefstal had gepleegd, werd dat stilletjes afgehandeld, en kreeg ik een snel afgeprint kaartje van het internet waar “sorry” in gekribbeld stond. Destijds vond ik het zelfs fijn om dat te krijgen, het was de eerste keer sinds lang dat ik niet genegeerd werd. Leeftijdsgenoten waren bang van mij, door de boodschappen van ouders en leerkrachten.

Jullie zullen niet geweten hebben hoeveel moeite het mij kostte, om daardoor naar school te gaan. Toen ik op een dag te laat aankwam voor een studiereis, het kan nooit meer dan 20 minuten geweest zijn, was de bus al weggereden. Liever een uitstap zonder dat moeilijke kind onder mijn verantwoordelijkheid, moet die leraar gedacht hebben. Mijn hart zonk in mijn schoenen toen ik aangefietst kwam, en een stille, lege school aantrof. “Ah, daar ben je, ja, de bus is al weg hé Clémence”, zei de prefect met een grote voldane glimlach. Toen moest ik toch op school blijven, om naar een film te kijken over Gandhi en daar nadien een opstel over te schrijven. De prefect liet me verder alleen in de filmzaal, denkend zijn job te hebben gedaan wellicht. Ten eerste, ik had die film al gezien, al vijf keer. Ten tweede, door de hele klas achtergelaten worden liet me niet koud, integendeel.
Ik was 17. Ik was veel te jong om te praten over zulke gevoelens, een meisje van 17 zou die dingen nog niet moeten voelen.
En inderdaad, toen heb ik de kaders van de muren kapot geslagen, heb ik mij daarmee in mijn scheenbenen gesneden en ben ik weggelopen. Ik weet nog altijd niet wat die man verwacht had dat ik zou doen, maar ik was de tiener en hij de volwassene.

Tegen de winter aan was het allemaal niet meer leefbaar, en moest ik van de school weg. Het ging niet, ze konden de veiligheid van de andere leerlingen niet op het spel zetten. Ik heb nooit begrepen waar dat over ging, alsof ik iemand had neergestoken of zo.

Eenmaal opgenomen zat ik gelukkig eindelijk in een omgeving die mij “aan kon”, en heb ik genoten van leeftijdsgenoten die mij verstonden en niet meden. Het was de eerste keer in heel lange tijd dat mensen mij gewoon lieten uitspreken, als ik zei dat ik me niet goed voelde. Dat ze bovendien ook zelf nog konden toevoegen, “ja, ik heb da ook soms, hou vol, da beter wel”. Daar heb ik geleerd dat ik geen monster was, maar een verstandig meisje dat haar leven zelf in handen moest nemen. Dat heb ik gedaan. Vandaag doe ik waarschijnlijk meer dan jullie voor mijn medemens.
Ik hoop dat mijn medeleerlingen vandaag beter begrijpen wat er met mij aan de hand was. Ik hoop dat jullie jullie eigen kinderen zullen leren om nabij te blijven, bij kinderen die het duidelijk zo moeilijk krijgen. Ik hoop dat jullie hen leren om op te komen voor elkaar, tegen volwassenen en leeftijdsgenoten. Beiden kunnen vreselijk onverschillig en dwaas zijn.