Prop

Ge zijt een toffe zene, echt een heel toffe meid. Je bent slim en mooi.

Maar ik doe het niemeer graag. Het is zo’n opgave om mezelf in een vormpje te proppen waar ik eigenlijk niet in pas. Ze willen me veranderen en verbeteren, je bent bijna goed, nog een klein mankementje wegwerken en je bent goed zoals je bent.

Mijn moeder had een cassette voor mij, toen ik een kleutertje was dat niet wou slapen, met walviszangen op. Vijf uur lang het gehuil van bultruggen. Zelfs nu grijp ik nog terug naar die geluiden, gewoon omdat het bekend is. Er is niet één herinnering die aan normaliteit doet denken. Alles was moeilijk, anders, pijnlijk.

Dat voelt nog altijd een beetje zo. Een week of twee geleden voelde ik me goed, ik was blij. Dat had geen oorzaak, dat was gewoon zo. Maar nu is het weer weg.

Toen, toen ik niet wilde slapen, had ik geen toekomstbeeld voorbij de achttien. Omdat ik geloofde dat je achttien moest zijn (hoe werken kinderhersenen…) om zelfmoord te kunnen plegen, was dat mijn eindpunt. Rond die tijd, even voor mijn achttiende verjaardag, ben ik ook “gedecompenseerd”, zoals ze dat in vaktermen noemen, en opgenomen.
Er was geen enkele gedachte voorbij de achttien. Daar had ik nog nooit over nagedacht, ik zou dood zijn, dat was een gegeven. Zelfs jaren na de achttien, stond ik stil. Ik werkte in een café, ik snoof me te pletter, de dagen gingen voorbij.

Toen Joris (ex-lief tussen mijn 16 en 23 of zo iets, af en aan) bij mij was, durfde ik voorzichtig, samen met hem, naar de toekomst kijken. Maar ik was zo moeilijk, denk ik, dat hij me niet meer kon verdragen. Ik denk wel dat bij de finale breuk iets heel fundamenteels gebroken is. Je kunt een been breken, maar je kunt ook mentale dingen breken.

Ook nu heb ik geen toekomstbeeld. Ik werk waar ik werk, met steeds meer tegenzin en steeds minder gevoel van betekenis. Dag na dag, weekend na weekend, doe ik hetzelfde (ongeveer). Ik kijk niet voorbij de volgende maand, daarna is het uurrooster nog niet gemaakt en is alles abstract. En dood, dood, doodeng.

Doodeng is een uitdrukking, maar ik kies ze met veel zorg. De dood ligt daar.

Ik ga nergens naartoe, ik werk nergens aan. Ik probeer gewoon te doen wat mensen van mij verwachten.

En niet te sterven.

Advertisements

Ervaring

Als je veel hebt gehuild, om het leven, dan kun je je worstelingen ombuigen tot een soort hulpstuk voor anderen. Daar bestaat een opleiding voor en dan ben je officieel ervaringsdeskundige. Want vandaag de dag moet je bewijzen met een attest dat je weet hoe het voelt. Zonder dat attest ben je gewoon… iemand. En gewoon iemand, die kan niks betekenen.

Een collega stelt voor dat ik dat ook volbreng, die opleiding, zodat mensen meer van mij zouden verdragen dat ik afwijk van de verpleegkundige norm. Ik wilde die opleiding al langer volgen, dat paste wel in mijn kraam. Maar het voelt als een mislukking. Dat ik niet gewoon als mezelf kan geaccepteerd worden of mijn werk doen. Dat er een extra attestje nodig is, om anders te mogen zijn.
Ze vinden mijn patiëntencontact te onthullend, of ze hebben daar vragen bij. Alsof ik dat per ongeluk doe, alsof dat een foutje is dat ik nog niet van mezelf doorhad. Dat kan geen bewuste ‘therapeutische’ keuze zijn. In de acutere opnamesector zagen de patiënten niet hoe erg ik afweek, in deze nieuwe afdeling zouden ze dat zogezegd wel zien en het er moeilijk mee hebben. Dat is flauwekul. Ik de acute opnamesector wisten mensen ook dat ik anders was, dat wisten zij erg goed. Het stoorde hen allerminst (sommigen fronsten, maar na een tijd leerden zij ook begrijpen hoe ik werkte).

Patiënten en hulpverleners worden door elkaar gevormd, je kunt het draaien of keren hoe je wilt, dat is zo. De hulpverlener is degene die samen met de hulpvrager op zoek gaat naar de mogelijkheden, de vaardigheden, de dromen, en die eruit haalt. Het één op één contact is zo nauw, zo intensief, dat je op den duur op elkaar bent ingesteld. Het vraagt vertrouwen, want vanaf dat moment kun je elkaar ook kwetsen.
Veel patiënten hebben mij ooit gekwetst, met uitspraken of met daden. En dan spraken wij daarover en dan vergaven wij elkaar. Als iets mij (en meestal ook anderen) verschrikkelijk op mijn systeem werkte (spraakwaterval terwijl ik werk of zo), dan kon ik dat zeggen, dan werd daarover gesproken en konden we op zoek naar een oplossing.

Wanneer ik verstoten word, dan doet dat mij pijn. Niemand vindt zoiets supertof. Soms heb ik daarover gesproken met collega’s, en was de consensus, ‘jij moet daarboven staan’. Wat ik absurd vind, want ik sta niet ‘boven’ een patiënt. Er is geen onderscheid, wat mij betreft, wat hen ‘zieker’ maakt, waardoor ik ‘gezond en geduldig’ moet zijn. Het is juist op het moment dat het contact nog veelvuldig is, tijdens de opname, dat je erop moet inzetten om hen klaar te maken voor relaties in de wereld hierbuiten. Dat je hen een spiegel moet voorhouden over hoe ze zijn en overkomen. In de wereld daarbuiten zal niemand ‘erboven’ staan, dus waarom moeten we hen nu in een artificieel klimaatje laten gedijen? Werken verdomme, als ik er ben, dan is dat werken. Dat doe ik niet expres, dat vloeit voort uit mijn onbewuste manier van zijn; er gebeuren onverwachte dingen, er worden dingen gezegd waarvan je niet precies weet wat het betekent, er is een ongemak. Tegelijk is er warmte en hulp, onvoorwaardelijk. Na een tijd weten ze dat.

Wanneer ik ben, dan ben ik. Daar wordt niet nagedacht, overwogen of gekozen. Maar sensitieve mensen (en dat zijn patiënten per definitie) voelen heus wel, wie ik ben, daarbinnen. Beter dan collega’s, meestal. De hele reden dat ervaringsdeskundigheid nu een opleving kent, is omdat de ongehinderde gelijkwaardigheid van de relatie (geen rollenverwarring bv) de basis is voor herstel.
Gekwetst worden als hulpverlener vergt moed, je moet heel dichtbij komen om het te voelen. Maar alleen zo kun je de patiënt écht helpen, hem jou ook laten helpen.

Gewoon

De mens is een sociaal dier, dat wil zeggen dat wij instinctief, vanuit een genetische predispositie, een vurige wens hebben om door een groep aanvaard te worden. De Westerse mens heeft echter ook een bijzonder complex sociaal systeem, en elke mens maakt van tientallen groepen tegelijk deel uit, en moet dus ook in al die groepen zijn rol correct kunnen opnemen; het gezin, de collega’s, de vrienden, de voetbalclub, …
Er is niks zo zwaar, zo beschadigend of kwellend, dan nergens bijhoren.

De groep op zich zorgt ervoor dat er bijna ‘vanzelf’ ongeschreven regels ontstaan, over hoe groepsleden zich dienen te gedragen. Als je iemand tegenkomt die je kent, dan is het de bedoeling dat je die persoon begroet. Er staat niemand bij om dat te controleren, en niemand kan je dwingen om dat uit te voeren. Maar toch doe je dat, omdat je “weet” dat dat moet.

Het deel uitmaken van een groep is eigenlijk het fundament om te kunnen bestaan. Ergens bij horen heb je als mens nodig, om te leren wie je bent aan de hand van interacties met anderen. Het is, als het ware, een basisrecht.
Een basisrecht dat nochtans veel mensen wordt ontzegd. Omdat ze raar doen. Omdat ze anders doen dan de anderen het altijd gedaan hebben. In het “buiten de groep vallen” voel je als buitenbeentje tegelijk een veroordeling; jij hoort niet in onze groep thuis, jij bent storend want ik snap jou niet. Dat is lang niet altijd zo bedoeld, maar vanuit de buitenstaanderspositie kun je dat zo niet zien.

Meteen komen dan extreme voorbeelden opdoemen van een volledig waanzinnige psychoot, maar dat hoeft niet zo te zijn. Zorgteams organiseren zich ook als groepen, ‘wij doen de dingen zo’, en als een nieuwe collega de dingen anders doet zal die worden aangesproken. Ik ben zelf zo’n typische collega die altijd allerlei dingen anders doet, dat overkomt mij voortdurend en ik ben me er zelf helemaal niet van bewust hoe deviant of afwijkend ik telkens blijk te zijn. Elke keer opnieuw ben ik stomverbaasd welk gedrag door anderen wordt opgemerkt als “vreemd”.
Ik maak het ‘buiten de groep vallen’, dat daaruit volgt, ook gemakkelijk mee. Het is niet simpel om als individu te weerstaan aan de druk van de groep. Ik wil erbij horen, net als iedereen, maar tegelijk lukt het me niet om me consequent te gedragen naar de ongeschreven regels van de groep.

Waarschijnlijk is het daarom dat ik me het lot van gestigmatiseerde patiënten erg aantrek. Wat ik meemaak is een fractie van wat deze mensen moeten doorstaan. Buitengekeken worden, toegesproken worden als een kleutertje, genegeerd worden, het zijn dingen die patiënten regelmatig meemaken -ik kan me niet voorstellen hoe dat voelt. En dan nog de maturiteit moeten opbrengen om zelf rustig te blijven en te denken “zucht, ze weten niet beter, ze bedoelen het niet zo”.
Of zelfs eraan gewoon worden, wat misschien nog erger is.

Deceptie

te·leur·stel·ling (de; v)
1 (meervoud: teleurstellingen) het feit dat iem. teleurgesteld wordt; tegenvaller
2 het teleurgesteld-zijn
(Van Dale online)

Terwijl ik naar mijn mosterdgele keuken kijk en intens geniet van dit zicht (Abby zit achter het raam op de terraswand te staren naar vogeltjes) bedenk ik mij dat de teleurstelling wellicht het allergrootste, zwaarste gevoel is, wat mij kan treffen. De laatste maanden ontdek ik allerlei dingen die mij eigen zijn, alsof ik voor het eerst mezelf ontmoet.
De tranen springen in mijn ogen, niet omdat ik teleurstelling voel, maar omdat ik dat nu pas kan beseffen, en nu ook moet leren leven. Nu pas. En omdat ik nog moet leren wat interne troost is, hoe ik mezelf tot bedaren moet brengen.

Het is bizar plots te begrijpen hoe graag ik gezien word, en tegelijk te beseffen dat al die liefde niet nieuw is, maar dat ik ze vroeger gewoon niet kon zien. Er is een muur gesloopt, een wand is verdwenen die vroeger in de weg stond.