Ontslag

Iets meer dan een week terug kwam het dan; het onvermijdelijke ontslag. Een elegant ontslag weliswaar, correct in verhouding met wat ik heb “gegeven”. Maar wat ik wilde geven, lag niet (langer) in de lijn van wat de kliniek van me wilde. Een werkplaats is als een relatie; soms raakt het op. Wonderbaarlijk genoeg was de paniek niet zo groot; ik vond snel hoop en zin in de gebeurtenis. Wat ik doe, past niet binnen het keurslijf van dat ziekenhuis. Het is tijd voor iets anders.

Als verpleegkundige autonoom denken, is niet zo eenvoudig. Op het eerste zicht zou men denken; ja, zo moet het. Dat dat niet blijkt te kloppen, is een fundamentele desillusie geweest, maar maakt ook ruimte. Door het wegvallen van dat ideale beeld, komt er plaats voor een nieuwe, realistischere visie op het werkveld.
Ziekenhuizen brengen namelijk “teams” voort, en teams zijn een erg complexe zaak. Teams bestaan uit een 20-tal verpleegkundigen, waarvan elke verpleegkundige haar eigen manier van kijken heeft. Dat dat onvermijdelijk tot een centrum-denkend groepsgebeuren leidt, is dus niet zo moeilijk te bedenken. Wanneer je bovendien extreem kritisch van geest bent en zelfstandig in je denken, wordt het bijna onmogelijk om staande te blijven.
Een team wordt een groep, en een groep dicteert in zekere zin hoever een individu binnen die groep mag gaan/denken.

Precies door mijn context en mijn verhaal, ben ik immuun voor groepsdynamiek. De meeste mensen zijn ingesteld met een behoefte aan “erbij horen”, dat is wat van de mens een sociaal dier maakt. Dat heb ik, misschien door de diepgewortelde hechtingsstoornis die me typeert, veel minder dan anderen. Het is niet omdat een groep iets zo doet, dat ik het niet anders zal proberen.
Een groep dient tolerant te zijn, om dat te kunnen verdragen. Het is echter eigen aan een groep, om afwijking te proberen weren, want afwijking bedreigt het karakter van de groep. Een nieuw groepslid dat de “gewoontes” niet volgt, dreigt het voor iedereen mogelijk te maken om “anders” te zijn. Het is een normale groepsdynamische respons om dan dat nieuwe groepslid te verwijderen, om het bekende, het harmonische te behouden.
Het ziekenhuis mag denken wat het wil, de progressiviteit zit (of ontbreekt) in de teams. Het mag beleidsmatig heel mooi worden uitgelegd, als het niet doorsijpelt tot de absolute basis, is alles zinloos. Een ziekenhuis kan dus progressief denken, en symposia organiseren over stigmatisering, ervaringsdeskundigen betalend aan het werk hebben, zolang verpleegkundigen in de teams niet “durven” zelf te denken, is het water naar de zee dragen.

Er vallen dingen te zeggen over mijn keuze om verpleegkundige te worden. Als ik gekozen had om psychologie te studeren, had ik als autonome psychologe op een afdeling de visie kunnen uitstippelen. Dan was de weerstand omkaderd geweest; ja, zij heeft dat als taak. Maar die oplossing is niet duurzaam. Het is binnen de psychiatrische verpleegkunde dat er dingen moeten veranderen. Want het is daar dat het patiëntencontact het intensiefste is.
Er zit een gigantische vulkaan aan onontgonnen liefde, warmte en capaciteit in teams. In ieder individu, dat ooit de keuze maakte om in de psychiatrie te gaan werken, zit een immense drive. Maar hoe teams op dit moment georganiseerd zijn, kan dat niet benut worden zoals het zou moeten. Er is veel te weinig aandacht voor ieders verhaal, te weinig tijd om elkaar te begrijpen, ten volle, te weinig ruimte om het engagement te kunnen vrijmaken om te gaan voor totale acceptatie van elkaars verschillen.
Daardoor moeten mensen in een tamelijk stressvolle omgeving met elkaar zien te accorderen, terwijl er geen tijd is om dat ten gronde te doen. Je moet dus al gemakkelijk/eenvoudig/transparant zijn van karakter om daar gemakkelijk in op te lossen. Dat is bij de beste verpleegkundigen in het veld, doorgaans niet het geval.

Zelf durven denken is iets wat geloof, veiligheid en vertrouwen vergt. En dat moet van bovenaf komen, vanuit de directie, vanuit het diensthoofd. (Beleids)teams zijn gewoonlijk sowieso al te groot, te wisselend en te zeer gebonden aan regels en protocollen, om die toestand ooit te kunnen bereiken. Naar mijn gevoel zit daar Euvel Nummer 1.
Veel verpleegkundigen denken ook echt van zichzelf, “ik ben maar verpleegster”. Dat heb ik heel vaak gehoord, liefst nog van collega’s die al 20 jaar ervaring hadden en dus een enorme bron aan kennis waren. Werknemers, en ik geloof mensen in deze samenleving in het algemeen, zijn getroffen door een overweldigende onzekerheid in hun kunnen. En een onzekere mens zoekt houvast in het bekende, worden automatisch conservatiever.
Op die manier verzanden teams altijd weer in het centrum, veilig, bekend, “aanvaard”.

Collega’s blozen of worden verlegen in het bijzijn van de dokter, terwijl zij degenen zijn die acht uur lang de razernij van een patiënt opvangen die negen van de tien, het gevolg is van een medische beslissing. De arts zou mogen blozen in het bijzijn van de verpleegkundige.
Klinieken investeren in bijscholing en steun voor het verpleegkundige korps, maar veel te weinig in het aansterken van de zelfzekerheid van teams. Teamdagen duren 1 dag, in plaats van twee weken lang intensieve kennismaking, leren open met elkaar te spreken, leren om elkaar te begrijpen. Het is slechts door in te zetten op een veilig klimaat binnen een team, dat je kan beginnen aan het creëren van een veilig klimaat voor patiënten. Het ene kan zonder het andere niet bestaan.

Hoe beter je elkaar kent, hoe groter de kans dat je raakvlakken vindt. En elk raakvlak is een garantie voor verdraagzaamheid voor een verschil. Zo werkt iedere mens. Het schijnbare verschil kan veel groter worden in de onbekendheid, en nagenoeg verdwijnen eens je vordert in het ontmoetingsproces. Slechts zo krijg je cohesie, en die wordt, samen met het progressieve denken, alleen maar belangrijker.
In de klassieke, verouderde en paternalistische psychiatrie, was er minder cohesie nodig, want alle regels lagen al vast en er kwam nergens een onderhandelingsproces aan te pas. Dat is vandaag (gelukkig!) anders, alleen worden de échte progressieve denkers geweerd omdat zij moeilijker in een team opgenomen worden. En draai het hoe je wil; het zijn teams die bepalen wie er wel en niet kan blijven. Niet de psycholoog, niet de psychiater, niet het diensthoofd. Het team is machtig, alleen weet ze dat zelf niet. Er is ook niemand bereid haar dat te vertellen, want de kliniek is zelf bang en onzeker. Het is gewoon de tijdsgeest, vrees ik.

Er hangt overal angst, iedereen is altijd een klein beetje ongerust. Heb ik morgen nog werk? Kan ik mijn auto nog betalen? Haal ik mijn huur? Ziet mijn partner mij nog graag? Ben ik een toffe mama, en vooral, ziet iedereen dat?
Vooral binnen de verpleegkunde is dat relevant. Het loon is onevenredig met de job, zeker als je bedenkt wat psychiaters verdienen. Verpleegkundigen zijn sociaal-demografisch vaak ook van gelijkaardige achtergrond; bescheiden gezinnen en bescheiden dromen -ONTERECHT.
Het spijtige is dat het hart van de psychiatrische verpleegkunde niet te kwantificeren valt. Het hart van wat wij doen, is nabijheid bieden, mensen ontdekken, op pad gaan, warmte en veiligheid geven om henzelf toe te laten zich te ontplooien, zoals zij dat zelf willen. Daar kun je geen examen over schrijven, dat kun je in een sollicitatiegesprek niet bevragen. Dat is gokken.
Maar dat is ook een soort groepsklimaat dat ontstaat, een ingetogen persoon kan zich ontpoppen tot een rots, binnen het juiste team. Maar dat klimaat kan enkel en alleen bestaan, en daar durf ik mijn hand voor in het vuur steken, als het team bestaat uit heel veel verschillende mensen. Een team met allemaal gelijkaardige denkers, is een ongezond, rigide team. Standaard. Zelfs een team vol progressieve denkers, verzandt binnen de kortste keren in centrumdenkend gezwets.

Om de verschillen van een ander te kunnen tolereren binnen je hoofd, moet je ook in vrede leven met jezelf. Bedreigingen moet je soms kunnen herkennen als iets van jezelf, misverstanden moet je durven aftoetsen en ook in alle eerlijkheid loslaten als je indrukken niet bleken te kloppen. Om die gedachtengang te kunnen inslaan, is een vertrouwen in de eigenwaarde een conditio sine qua non. Het beleidsteam van het ziekenhuis is verantwoordelijk om dat mogelijk te maken, of toch zeker op zijn minst om te beseffen wanneer dat niet het geval is -en daar falen zij, enorm. Euvel Nummer 2.
Er bestaan van die formules, zoals “TVO” (Tijd Voor Onszelf), waarin teams bij elkaar zitten en spreken over dingen die hen dwarsliggen, dingen die hen hebben geraakt, waarin conflicten worden opgelost. De praktijk leert mij echter dat de groep vaak te groot is om veilig aan te voelen. Dus wordt er eigenlijk weinig gesproken over dingen die écht belangrijk zijn. Er wordt zelfs niet gesproken over het onveilige karakter van de TVO.
De wereld is een onherbergzame plaats geworden. We spreken erover en we denken aan gemarginaliseerde patiënten, alsof het enkel hen treft. Het treft ons allemaal, elke dag. We zijn bang. We praten niet met elkaar over die angsten, we beseffen de helft van de tijd niet eens hoe bang we zijn. Zo normaal voelt het.
Dit is geen politiek pleidooi, maar Europa verrechtst en dat gaat altijd gepaard met minder ruimte om ‘af te wijken’. Gooi daar nog eens bovenop dat we almaar minder tijd hebben om echt gewoon bij elkaar te zijn, te praten, te ontspannen, en je krijgt een herhaling van het Europa van eind 19e eeuw. Over 30 jaar zullen we het resultaat te zien krijgen van deze vreselijke cyclus.

Of er echt iets aan te doen valt, is de vraag.
Het belangrijkste wat ik wil onthouden, is wat dit zegt over mezelf; dat ik niet beïnvloedbaar ben door die tendens. Dat ik verzetstrijder ben, op mijn manier.

Zin

Het regent. Zo voel ik me wel een beetje. Steeds vaker heb ik bij het ontwaken, voor alle context en mores door zinken in mijn bewustzijn, een immens gevoel van zinloosheid. Dat overvalt me als een blok of een groot gewicht, plots legt een last zich op mijn gemoed, als een grote zandzak die iemand op je schouders of je rug zou leggen.
Wat zijn we in hemelsnaam aan het doen in de kliniek, denk ik dan. Waar zijn wij mee bezig. Waarom denken wij dat wij iets aan het doen zijn, terwijl we zo vaak de verkeerde weg inslaan. We ‘verzorgen’ psychisch kwetsbare mensen als kasplantjes, oh, ocharme. Dingen die ze doen, waarmee ze mensen voor de borst stuiten, moeten we kaderen in de ziekte, daar moeten we boven staan. Met andere woorden, we laten iets bestaan, wat in de wereld hierbuiten niet gepikt zal worden.
We beschermen ze, om ze dan een wereld in te sturen waarin ze niet kunnen overleven.

Wat haat ik dat. Wat haat ik het, dat ik daaraan deel moet nemen. En wat haat ik het, dat ik, als ik tracht om verandering binnen te brengen, dat ik dan als ‘deviant’ word omschreven. Sommige patiënten zijn onbeleefd, moedwillig respectloos, met opzet bot, en daar moet ik dan ‘boven staan’. Wat gaan ze dan doen, als ze buiten het ziekenhuis een manier moeten vinden om een sociaal netwerk op te bouwen?

Los

Hoe langer hoe meer kalft mijn masker af. Elke dag voel ik hem dunner worden, eventjes zichtbaarder dan anders. Paradoxaal genoeg, valt een half masker harder op, dan een volledig, zie je.

Vaak voel ik me dan plots enorm naakt, vreselijk zichtbaar. Dat blijkt dan achteraf helemaal niet zo te zijn. Dat is enorm vreemd. Misschien is het niet zichtbaar, omdat het normaal is, wat ik voel. Misschien is het wel abnormaal dat ik me vroeger veilig wist achter mijn masker, en geen of weinig ongemak liet blijken in bepaalde situaties.