In de séparé

Daarjuist sprak een kennis me aan op café, ze had het moeilijk en vertelde een beetje over de negatieve signalen die ze van haar ouders (vooral haar vader blijkbaar) in haar jeugd had gekregen, waardoor ze vandaag zelf met een laag zelfbeeld bleef zitten.

Het deed me denken aan mezelf, en hoe lang ik heb rondgelopen met de vaste idee dat mijn jeugd bepaalde wie ik was en ben, hoe dat eindeloos leek. Hoe het leek of mijn moeilijke kinderjaren voor altijd een afdruk zouden achterlaten op mijn leven.
Zo voel ik me niet langer. Dat besefte ik pas, op het moment dat ik het haar hoorde vertellen. Er zijn veel slechte herinneringen, maar hoe langer hoe meer raken die uitgewist door wie ik vandaag zelf ben. Het is volgens mij allemaal een onderdeel van het moeilijke separatieproces waar ik, uitgesteld, in zit. Ik blijf erbij dat het door mijn vriend-psycholoog is, dat ik daaraan ben kunnen beginnen.

Vandaag ben ik, helemaal los van mijn gezin en familie, zelf iemand. Iemand die eigen keuzes en beslissingen neemt, iemand die zelf oplossingen bedenkt en uitvoert voor obstakels. Zonder de afstand die ik heb ingebouwd, nu ongeveer een half jaar geleden, was me dat vermoedelijk niet gelukt.
Hoe langer hoe meer, kan ik door die afstand mijn ouders ook bekijken met meer vergiffenis en begrip. Ik moet een onwaarschijnlijk moeilijk kind zijn geweest om op te voeden, met allerlei noden waar ze niet op voorzien waren.
Maar ook, wat een sterk kind moet ik geweest zijn, om koppig mijn geest en denkvermogen te willen blijven gebruiken, om in het verzet te gaan tegen het “meegaande”, om de verkeerde aanpak zo aan de kaak te stellen, en zo jong! Allerlei dingen die mijn ouders normaal vonden, vond ik, volledig terecht, niét normaal. Eigenlijk is het wel knap dat ik zo jong al een eigen mening kon vormen, kritisch kon kijken naar mijn eigen gezin. Dat ik me zo heb weten te verzetten!

Vandaag is mijn leven zo ingericht, dat ik er volledig zelf in geloof. De dingen die ik doe, en niet doe, zijn de dingen waar ik zelf wel, of niet, achter sta. De mensen die ik zie en dichtbij me heb, zijn de mensen waar ik zelf behoefte aan heb, omdat het mensen zijn waarvan ik weet dat ze mijn tijd verdienen. Het zijn mensen waar ik zelf in geloof. Mensen die staan voor de juiste dingen, mensen die vechten voor de juiste dingen.
Waar het me vroeger moeite kostte om daar zelfvertrouwen uit te putten, wordt dat meer en meer de basis van mijn denken over mezelf. Waar ik vroeger energie stak in mensen, gewoon om graag gezien te worden, doe ik dat nu vanuit een volledig eigen graag-zien, vanuit een oprecht vertrouwen in die mensen en wie ze zijn.

Misschien lijken dat kleine stapjes, maar ze zijn significant. Dit is weer zo’n gedachtestukje dat deel gaat uitmaken van een groter “weten”. Dit zal vanzelfsprekend worden.

Memoire

De beste bevestiging dat de empirische wetenschappen (en daaruit volgend erg vaak de geneeskunde) aan een groot deel van de realiteit voorbijgaan, is de natuur van het geheugen.
Het geheugen zit niet in neuronen, niet in neuronencomplexen en niet in bepaalde organen. Het geheugen zit in de synaptische ruimtes tussen tienduizenden neuronen onderling. Het geheugen zit precies daar waar geen materie zit; het zit in de schijnbaar willekeurige sequentie van transmissies, maar in geen enkele tastbare neurotransmitter alleen.
 
Aangezien het geheugen een heel groot deel van onze identiteit, onze beleving en onze emotie bepaalt, zou ik durven zeggen dat dat hetgene is wat ons als organisme “levend” maakt. Het geheugen is het eindproduct van onze verbinding met de omgeving. Zonder verbinding met de omgeving worden wij niet beschouwd als levende wezens (bijvoorbeeld een steen). En zonder geheugen kan de verbinding met de omgeving niet tot leven leiden, aangezien je op voorgaande ervaringen moet kunnen terugvallen om te evolueren.
 
Als je denkt aan jezelf, dan ga je terug naar herinneringen. Hoe ben ik, wat voor dingen doe ik, die mij illustreren? Het zijn jouw herinneringen, en jouw aanpassingen daarop, die jou kneden en vormen. De manieren waarop je je aanpast zijn deels genetisch bepaald, deels aangeleerd, en deels ook nog eens zelf uitgedokterd. Je hersenen kneden zichzelf, bepaalde reacties en primaire emoties raken rond je zoveelste levensjaar zo diep ingebed in je zenuwbanen, dat ze je “karakter” worden; dat kan je niet meer ineens veranderen. Die hersencellen zijn zo stevig aan elkaar vastgeplakt met myeline en allerlei andere plakkerige hersenconsolideerdingen, dat dat vanaf nu de bestaande snelweg is voor bepaalde informatie.
Dat is de definitie van het geheugen. Een pad, dat zo vaak bewandeld is, dat het zich diep in de aarde groeft.
Informatie van de ene kant van die snelweg (limbische systeem) naar de andere kant (cortex) heeft dus vaak maar de keuze tussen een paar snelwegen. Paniekreacties, hysterische emoties en dergelijke meer zijn vaak onafwendbaar in bepaalde situaties. Het enige wat we kunnen doen, is leren hoe we zijn van anderen, en leren naar onszelf te kijken met de eerlijke ogen van een ander. De initiële baan van “informatie” naar “hysterische respons” kan dan verder leren lopen naar “ahja ik krijg het weer” en “rust” -altijd weer een beetje sneller overigens.
Maar mijn punt was vooral dat de essentie van wie en wat we zijn, het geheugen, niet tastbaar is. Je kunt niet aantonen wat er gebeurt, precies in de leemte tussen twee cellen. Je kunt niet isoleren wat “persoonlijkheid” is binnenin een hersenpan.
Je kunt de glutamaatmolecule niet herleiden tot een gevoel. Je kunt zelfs een bepaalde formatie van hersencellen tesamen niet interpreteren als een concept. Via-via staan alle cellen met elkaar in contact, van je kleine teennagelcel tot de zenuwcel op je retina. Ook je kleine teennagelcel kan via-via informatie doorgeven aan de zenuwcel op je retina, als dat zinvol zou zijn. Het hele lichaam is pure informatie, het hele lichaam is een geheugen.
Wij zijn een geheugen. Of we één geheugen zijn, dat weet ik niet, maar daar denk ik soms ook aan, en dan word ik gek.

De hoornaar en de bij

Jij bent een Japanse reuzenhoornaar. Het enige wat jij kent, is brute kracht en een instinct om te vernietigen, want jouw kracht overstijgt ook voortdurend die van iedereen. Er zijn heel weinig dieren die jouw natuurlijke vijand willen of kunnen zijn. Je bent groter, je hebt grotere monddelen, je vliegt sneller, je pantser is dikker en zwaarder, je angel is langer en dikker, je gif is potent. Je verlaat het nest alleen, op jacht, in een solitaire tocht om je honger te stillen. Het liefste tref je een bijennest aan, waar je hen achteloos in twee knipt en de honing steelt. In alles wat met de annihilatie van de ander te maken heeft, overheers je. Je bent het gewend om te nemen wat jij wil, omdat haast niemand tegenstand kan bieden. Je bouwt zelf niets op, maar neemt het werk van anderen tot jou.
Je hebt weinig anders in huis. Want daarbuiten kun jij alleen een larve zijn. Hulpeloos. Afhankelijk. Zwak. Week. Je bent verplicht om je te omringen met zorgers, die niks meer van jou verwachten dan dat. Zodat je, heel af en toe, jezelf kunt toestaan om niet agressief te zijn. En dan is het weer tijd om ten aanval te trekken, de zorgers profiterend van jouw beschermende intimidatie. Je leven is star en bewegingloos.

Wij zijn bijen. Wanneer ik steek, dood ik tegelijk mezelf. Ik ben omringd door andere bijen, die even volhardend, dapper en betrokken zijn als ik. We werken samen aan een gemeenschappelijk doel; onze honing. Onze mentaliteit is er één van inclusie, samenwerking, onvoorwaardelijkheid en solidariteit.
Mijn zwaktes zijn gekend door de anderen, en andersom. We verheffen elkaar.
Wij vallen niet aan, tenzij iemand ons aanvalt. Onze tochten zijn gericht op constructie, in plaats van destructie. Wij werken onverdroten aan ons nest, aan het voortbestaan van onze soort, aan de verspreiding van onze levenswijze. Dat vraagt inzet, enorme inzet.

Jij verlaat het nest tijdens de winter. Als het leven koud en hard wordt, dan ga jij weg, of je sterft. Er zijn geen andere hoornaars waar jij op kan terugvallen, zo werkt dat in jouw wereld niet. De andere hoornaars en jij werken functioneel samen, maar achter die samenwerking huist geen ziel en geen emotie.
Wij leven samen wel 5 jaar, lekker warm binnenin ons nest. We leven van wat we hebben opgebouwd en delen dit onder elkaar. Oude bijen, gewonde bijen, zwakkere bijen; elke levende bij krijgt honing, ongeacht hoeveel ze op tocht is geweest -daar wordt zelfs niet naar gevraagd. Onze taken zijn afwisselend en complex. We verluchten, we verzamelen, we poetsen, we praten, we verzorgen, we bouwen, we verwarmen.
Samen zijn we zelfvoorzienend. We hoeven van niemand te nemen, we zijn zelfstandig in onze gedeelde afhankelijkheid. We hoeven geen larve te zijn om te rusten, want onze natuurlijke aard is constructief en creatief. Wanneer wij rusten, nemen andere bijen het even over. We zijn zelf alle verschillende rollen op verschillende momenten.

Heel even, dacht ik dat we op elkaar leken. Mijn medewerksters hebben me gelukkig tijdig tot de orde geroepen. Jij bent een bij. Je hoeft niks anders te zijn, dan dat. Verjaag die hoornaar, voor hij met een leger jouw nest komt uitmoorden en jouw honing stelen.

Mitose

In sneltempo klikken allerlei dingen in elkaar, ze vallen en ze passen precies, en vormen plots een grotere gedachte. Een grotere gedachte die zoveel kleinere gedachten bij elkaar neemt, dat ze een soort “weten” wordt, geen denkoefening. Een begrip, een basis, die geen energie van me vergt, maar gewoon deel uitmaakt van mijn werkelijkheid. Het zou me vandaag eigenlijk meer moeite kosten om al die kleine gedachten terug in woorden te zetten.

Maar vandaag klikte er zo eentje tijdens het lopen. Hoe ik een appèl heb gedaan op een collega om me te beschermen, en hoe die daarop is ingegaan (met de warmste, beste bedoelingen), en hoe dat, ongemerkt en per ongeluk, vermoedelijk geleid heeft tot mijn ontslag.
Dat ontslag moest er komen, werkelijk. Dat begrijp ik nu. Die werkplaats was een goede plek voor mij om te starten aan een groeiproces, maar ik was het ontgroeid ook, en daar moest ik echt weg. Anders had ik dit nooit kunnen afwerken.
Ik verschuilde me, achter hem, en haalde uit naar het systeem vanachter het scherm dat hij gewillig voor me optrok. Ik vocht niet voor mezelf en vocht daardoor met zwakte, niet met secure en zelfstandige motieven.

Die collega zal altijd een vriend zijn. Dat weet ik nu met meer zekerheid dan ooit. Hij heeft iets in mij verplaatst, een blok verschoven binnen mijn fundamenten, waardoor de hele structuur steviger kon komen te staan. Maar ik merkte de laatste tijd een zekere wrijving. Een twijfel, een angst. Wat nu? We werken niet meer samen, we komen elkaar niet meer veel tegen. Gaat hij nu nog wel “oog” voor mij hebben? Besta ik nu nog? Heb ik hem teleurgesteld, nu ik het op het werk verkloot heb?
Hij zei dat hij er altijd voor mij zou zijn. Heeft hij dat zomaar gezegd? Bedoelde hij dat, zolang ik een collega was? Zie je nu wel! Nu zegt hij niks meer terug, als ik hem schrijf!

Maar nu heeft dat zich geplaatst, zoals gewoonlijk tijdens het lopen. Alleen tijdens het lopen is mijn lichaam voldoende in beweging, dat mijn gedachten zich kunnen afronden, zonder te vluchten naar het immateriële.
Zomaar, zonder duidelijke aanleiding, zag ik heel helder in hoe ik me op een ongezonde manier heb vastgeklampt aan hem, en hoe dat alleen maar mijn eigen verantwoordelijkheid, mijn eigen beslissing en mijn gedrag was. Op dat punt in mijn ontwikkeling kon ik nog niet anders, dus in dat opzicht was het misschien niet echt een ‘keuze’, maar ik ben 29 en dit blijft van mij en van niemand anders. Mijn boosheid over onze “afstand”, is daar een rechtstreeks gevolg van, en dat staat helemaal los van hem. Hij is er op consequente wijze altijd geweest. En ik heb verdomme chance dat ik zo iemand heb, dat zal ik zelf ook wel verdiend hebben.

Dromen

Ik droomde vannacht heel helder dat ik terechtkwam in een situatie waarin een baby voor mijn ogen vermoord/verwaarloosd werd door zijn moeder. Ik hield het levenloze/verzwakte lichaampje verschrikt in mijn armen. Hoewel ik me herinner hoe helder de droom was, herinner ik me niet meer, dan dat (hij was in het wit gekleed of gewikkeld).

Een baby is een symbool voor innerlijke onschuld, iets wat klein, naïef of kwetsbaar is. De baby is meestal een onbewuste behoefte aan troost, zorg.

De moord staat symbool voor ingehouden woede, een kwaadheid die niet erkend wordt. Het zien van iemand anders die de moord uitvoert, slaat helemaal op ontkenning van die kwaadheid. Het onderbewuste probeert iets “uit te wieden”.

Het is duidelijk dat ik afscheid aan het nemen ben van een heel oud gedeelte van mezelf; troost en zorg van anderen nodig hebben, in plaats van daar zelf voor te leren opkomen/zorgen. Dat was snel! En precies.

Braak

De afbraak is begonnen. Grappig, dat net nu de boulimie overwonnen is, een concept kan beginnen dat dezelfde etymologie heeft. Braken en breken zijn eigenlijk allebei hetzelfde woord. Met braken, breek je je lijf ook wel af, dus dat blijft logisch.

De afbraak waar ik op doel, is die van het oude huis waar ik in woon. Het voldoet niet langer, mijn smaak is veranderd. Ik ben al heel mijn leven bezig aan kleine werken, de gevel kon wat werk gebruiken. Zachter zijn, de agressie van binnenshuis beter binnenhouden. Maar de agressie binnenshuis heeft alles gesloopt, er staat eigenlijk enkel nog een gevel. Die mag even blijven wat hij is.
Het is goed, dat dit afgebroken raakt. Het zijn verouderde structuren die me niet langer helpen, het huis zelf niet langer ondersteunen. De gordijnen zijn rot, gescheurd. Het water wordt niet warm, de boiler is kapot. De verwarming is niet meer aangesloten. De winter komt eraan en het vocht in de muren dreigt alles kapot te vriezen. Het is kil, vochtig, het ruikt naar schimmel en verwaarlozing, daarbinnen.

Deze winter wil ik verwarming. Troostende gedachten over mezelf, mezelf leren verzorgen, mijn grenzen leren koesteren. Me omringen met lieve mensen, toelaten dat die mensen binnenkomen en zien wat een ravage er daarbinnen is aangericht, precies door niks te hebben gedaan, al die jaren. Er is veel schaamte, maar de enige remedie tegen schaamte, is openheid -en in een later stadium, humor.
Ik schaam me, dat ik als volwassene nog altijd niet gevonden heb, hoe ik in mijn eigen noden moet voorzien. Ik schaam me, dat ik al jaren investeer in een gevel die mensen misleidt, en dat ik daardoor de verkeerde mensen aantrek en nadien in de slachtofferrol kruip (dat doe ik binnen, dat doe ik alleen). Ik schaam me, dat ik mensen ontvang in mijn voortuin, omdat ik de voordeur niet durf openen, uit angst voor wat men ervan gaat vinden.

Maar daarbinnen zijn wel degelijk nog dingen goed. Ik moet kritisch blijven, maar ook niet negatiever dan nodig. De draagmuren staan er nog, ik heb nog veerkracht. De keuken heb ik opgelapt, ik kook gezond en eet voldoende. De slaapkamer heeft een bed, het is een matras op de vloer maar het is een bed en het wordt verschoond; ik slaap acht uur per nacht, en wanneer ik wakker word, ben ik uitgerust. Tegenwoordig luister ik tijdens het slapen naar boeddhistische OM-gezangen, heel zacht, of orthodoxe koren. De geluiden zijn rustgevend, als de golven van de zee.
De ramen zijn niet kapot, maar ik vergeet enkele soms te sluiten om mijn interieur te beschermen, dat wel. Als de wind dan te erg van voren komt, dan regent het binnen. Of mensen breken in. Ik moet leren om mensen te vragen via de deur binnen te komen, en als ze dat niet willen doen, dan zijn het geen mensen voor mij. Het dak is nog goed, het fundamentele schild tegen het weer, dat staat er.
De achterdeur naar de wilde tuin knelt, je moet de klink met al je macht omhoog trekken om de deur open te wrikken. De wilde tuin is mijn onderbewuste, mijn gevoelsleven, mijn diepste, gevoeligste kern. Die zal altijd wild zijn, het heeft geen zin om te proberen daar in te wieden. Daar leven mijn oprechtste emoties, die zijn niet gemaakt om in perkjes te staan. Sommige mensen kunnen dat, een tuin organiseren en indelen, maar andere mensen zoals ik, hebben liever een wilde tuin. In een wilde tuin kunnen onverwachte vruchten uitkomen. Ook dat is het geval.
Die achterdeur is een dikke houten deur, een erg oude deur. Vroeger werd die dichtgeknald en op slot gedraaid. De buitenwereld begon op de drempel van die deur, maakte ik mezelf wijs. Maar door te denken dat ik mezelf op die manier beschermde, verwaarloosde ik mijn hart.
Eigenlijk zou ik moeten werken aan een glazen deur, die vaker op een kier mag staan. Dat ik kan kijken naar de bloemen die daar uitkomen, de sneeuw die daar valt, de zon die de vorstpegels doet schitteren. Dat ik ermee in contact sta.

Onlangs vertelde iemand mij nog dat in Canada alle deuren openstaan, en dat er niet wordt ingebroken. Als ik vertrouwender ben, als ik rustiger ben, dan breken mensen bij mij misschien ook niet in.

Liefst zou ik ook een knusse woonkamer inrichten, waar mensen kunnen binnenkomen en op hun gemak zijn. Voorlopig staan daar plastieken stoelen en eentje heeft maar drie poten. Mijn daadwerkelijke thuis heb ik alvast weten in te richten volgens mijn smaak en ik kom graag thuis. Het is hier warm, proper en ik heb alles wat ik nodig heb.
Toen ik hier jaren geleden pas woonde, wilde ik het vooral op sneltempo “inkijkklaar” hebben, mensen moesten binnenkomen en het goed vinden. Hoe langer hoe meer, is dit “mijn” thuis geworden. Er is misschien toch een zelfzorgende basis gelegd, zonder dat ik er erg in had.

Eerst verwarming.