Da rooj potteke

Het is 16 u ‘s namiddags, de zon is verzacht, niet meer brandend. Ik ben te voet met mijn hond naar het postkantoor gewandeld, ik zweet een beetje maar er is niet zo heel veel volk binnen dus kan ik gaan zitten op de bankjes.
Het stappen is niet ver, maar voldoende om zittend mijn voetzolen te voelen tintelen van de reis -het feit dat ik teenslippers aan heb, helpt niet. Binnen staan enkele mensen te wachten met hun nummertjes. Altijd merkwaardig hoe dociel mensen zich daaraan houden.

Een jongeman staat met zijn smartphone tegen de vensterbank geleund. Hij doet dit op een manier die eigenlijk de zwaartekracht tart. Zijn hele gewicht is tegen de vensterbank aan geleund, zijn elleboog (de arm die de smartphone vast heeft) rust erop. Het verst verwijderde been is gestrekt terwijl zijn andere been in een slome plooi staat. De hoek waarin hij staat is echter veel groter dan ik ooit zelf in mijn hoofd zou halen. Het hoofd is diep gebogen over het elektronisch apparaatje waar hij tegen spreekt in een onverstaanbaar Berbers dialect. Niet dat er voor mij een verstaanbaar Berbers dialect bestaat. In één oor zit een oortje, zo hoort hij wellicht een vriend, of misschien zijn mama, aan de andere kant van de lijn. Of hij is gek, ik sluit niks uit.

Er is ook een ouder koppel, waarvan het niet duidelijk is waarom ze samen hier zijn. Op het postkantoor moet men toch maar zelden levensbepalende beslissingen nemen. Na hen een poosje te observeren, daagt het mij dat mevrouw van het zenuwachtige type is. Misschien durfde ze niet alleen gaan, of wist ze niet goed hoe het allemaal zou werken, in dat nieuwe kantoor. Ze staat met het nummertje in haar hand, bij elke “pling” moet ze nog eens nakijken wat haar nummer was.
Haar verwachting naar haar man toe, om haar zekerheid te bieden, om haar te gidsen doorheen dit moderne gedoe, lijkt hem te verstikken. Ze keuvelen, meer uit ongemak dan uit communicatieve behoefte, wat voornamelijk bestaat uit mevrouw die hem in een vragende toon (erg zachtjes) iets toewerpt, waarop hij de schouders ophaalt, oogcontact mijdt of zucht.
Hij staat een beetje schuin achter haar, zodat zijn buik haar heup raakt, amper. Amper, maar wel. Hij draagt een oranje trui, waar haalt hij het, waaruit de kraag van een geruiten hemd steekt. Het is veel te warm voor al die dingen, bedenk ik me, en zijn rood aangelopen gezicht liegt er niet om. Hij houdt zijn armen gekruist achter zijn rug en staat met zijn benen een beetje gespreid, alsof hij zijn eigen ongeloof wil compenseren met een zelfzekere pose. Ik lees dat de man hier niet wil zijn, maar hier wel is. Ik zie geen handboeien, maar wel spanning tussen zijn weerzin en zijn verplichting.
Ze schuifelen dichter naar me toe naarmate meer mensen binnen komen. Hun gesprek wordt hoorbaar. De man fluistert in het oor van zijn vrouw, maar zijn stem is zwaar en komt erdoor gemompeld. “Hebde geld bij?” al lijkt dit meer een vraag te zijn die zijn betrokkenheid moet veinzen dan een werkelijke investering in de situatie. Het klinkt zelfs een beetje streng, alsof hij wraak wil nemen op haar vraag om hier te zijn, door haar te herinneren aan haar vergeetachtige aard.
“Ja, uit da rooj potteke,” fluistert zij terug. Beiden weten welk rood potje dat moet zijn. Een abstract concept voor iedereen, behalve voor zij twee, die al dertig jaar hetzelfde huishouden delen en weten dat er ergens in dat huis een rood potje staat waar kleingeld in wordt verzameld. Een gedeelde wetenschap, een begrip dat ontstaan is uit hun verstrengelde leven dat op den duur is gaan inwerken op hun taal. Misschien is het potje zelfs niet rood, maar rood met witte stippen, welke hij keer op keer niet opmerkte waardoor de omschrijving verkort is geraakt naar iets waar hij vat op had. Of misschien is het rode potje ooit stukgevallen, en is het nu een paars potje geworden, dat toch nog altijd “da rooj potteke” heet.
Ik beeld me in waar dat potje staat, op het aanrecht in een keuken met veel lichtinval maar van inrichting wel nogal ouderwets met eiken kastjes. Met daarachter een veranda met rieten zetels met felgekleurde kussens op, met door elkaar lopende geometrische figuren uit de jaren ’80. Daarachter een tuin met gemillimetreerd gifgroen gras, aan de zijkanten rechte bloemperken, het geheel erg overzichtelijk en netjes. Ik betrap mezelf op een hunkering, een benijden van de warmte die uitgaat van de vanzelfsprekendheid waarmee er over dat rode potje gesproken wordt. Ook al wil de man hier niet zijn, toch blijft er een muurvast fundament staan van een gedeeld leven, dat niet meer anders kan bedacht worden, dan hoe het is. Omdat het al zo lang, is zoals het is. Met al haar irritaties, onvolmaaktheden, verplichtingen.
Zij doet alsof ze zijn tegenzin niet opmerkt, net zoals hij haar aanklampend zoeken naar houvast verdraagt en in passant bevestigd wordt in zijn zinvolle aanwezigheid hier.
Misschien heeft ze hem hier helemaal niet nodig, maar doet ze alsof om hem te troosten of blijvend een rol te kunnen bieden in het huishoudelijke leven. Daar wordt naar alle waarschijnlijkheid zelfs nooit over gesproken. Dat is geweten, maar ook niet.

Sindsdien denk ik vaak aan dat rode potteke. Ik zal ooit een rood potteke hebben, in mijn huis, met mijn man. Ooit.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s