Da rooj potteke

Het is 16 u ‘s namiddags, de zon is verzacht, niet meer brandend. Ik ben te voet met mijn hond naar het postkantoor gewandeld, ik zweet een beetje maar er is niet zo heel veel volk binnen dus kan ik gaan zitten op de bankjes.
Het stappen is niet ver, maar voldoende om zittend mijn voetzolen te voelen tintelen van de reis -het feit dat ik teenslippers aan heb, helpt niet. Binnen staan enkele mensen te wachten met hun nummertjes. Altijd merkwaardig hoe dociel mensen zich daaraan houden.

Een jongeman staat met zijn smartphone tegen de vensterbank geleund. Hij doet dit op een manier die eigenlijk de zwaartekracht tart. Zijn hele gewicht is tegen de vensterbank aan geleund, zijn elleboog (de arm die de smartphone vast heeft) rust erop. Het verst verwijderde been is gestrekt terwijl zijn andere been in een slome plooi staat. De hoek waarin hij staat is echter veel groter dan ik ooit zelf in mijn hoofd zou halen. Het hoofd is diep gebogen over het elektronisch apparaatje waar hij tegen spreekt in een onverstaanbaar Berbers dialect. Niet dat er voor mij een verstaanbaar Berbers dialect bestaat. In één oor zit een oortje, zo hoort hij wellicht een vriend, of misschien zijn mama, aan de andere kant van de lijn. Of hij is gek, ik sluit niks uit.

Er is ook een ouder koppel, waarvan het niet duidelijk is waarom ze samen hier zijn. Op het postkantoor moet men toch maar zelden levensbepalende beslissingen nemen. Na hen een poosje te observeren, daagt het mij dat mevrouw van het zenuwachtige type is. Misschien durfde ze niet alleen gaan, of wist ze niet goed hoe het allemaal zou werken, in dat nieuwe kantoor. Ze staat met het nummertje in haar hand, bij elke “pling” moet ze nog eens nakijken wat haar nummer was.
Haar verwachting naar haar man toe, om haar zekerheid te bieden, om haar te gidsen doorheen dit moderne gedoe, lijkt hem te verstikken. Ze keuvelen, meer uit ongemak dan uit communicatieve behoefte, wat voornamelijk bestaat uit mevrouw die hem in een vragende toon (erg zachtjes) iets toewerpt, waarop hij de schouders ophaalt, oogcontact mijdt of zucht.
Hij staat een beetje schuin achter haar, zodat zijn buik haar heup raakt, amper. Amper, maar wel. Hij draagt een oranje trui, waar haalt hij het, waaruit de kraag van een geruiten hemd steekt. Het is veel te warm voor al die dingen, bedenk ik me, en zijn rood aangelopen gezicht liegt er niet om. Hij houdt zijn armen gekruist achter zijn rug en staat met zijn benen een beetje gespreid, alsof hij zijn eigen ongeloof wil compenseren met een zelfzekere pose. Ik lees dat de man hier niet wil zijn, maar hier wel is. Ik zie geen handboeien, maar wel spanning tussen zijn weerzin en zijn verplichting.
Ze schuifelen dichter naar me toe naarmate meer mensen binnen komen. Hun gesprek wordt hoorbaar. De man fluistert in het oor van zijn vrouw, maar zijn stem is zwaar en komt erdoor gemompeld. “Hebde geld bij?” al lijkt dit meer een vraag te zijn die zijn betrokkenheid moet veinzen dan een werkelijke investering in de situatie. Het klinkt zelfs een beetje streng, alsof hij wraak wil nemen op haar vraag om hier te zijn, door haar te herinneren aan haar vergeetachtige aard.
“Ja, uit da rooj potteke,” fluistert zij terug. Beiden weten welk rood potje dat moet zijn. Een abstract concept voor iedereen, behalve voor zij twee, die al dertig jaar hetzelfde huishouden delen en weten dat er ergens in dat huis een rood potje staat waar kleingeld in wordt verzameld. Een gedeelde wetenschap, een begrip dat ontstaan is uit hun verstrengelde leven dat op den duur is gaan inwerken op hun taal. Misschien is het potje zelfs niet rood, maar rood met witte stippen, welke hij keer op keer niet opmerkte waardoor de omschrijving verkort is geraakt naar iets waar hij vat op had. Of misschien is het rode potje ooit stukgevallen, en is het nu een paars potje geworden, dat toch nog altijd “da rooj potteke” heet.
Ik beeld me in waar dat potje staat, op het aanrecht in een keuken met veel lichtinval maar van inrichting wel nogal ouderwets met eiken kastjes. Met daarachter een veranda met rieten zetels met felgekleurde kussens op, met door elkaar lopende geometrische figuren uit de jaren ’80. Daarachter een tuin met gemillimetreerd gifgroen gras, aan de zijkanten rechte bloemperken, het geheel erg overzichtelijk en netjes. Ik betrap mezelf op een hunkering, een benijden van de warmte die uitgaat van de vanzelfsprekendheid waarmee er over dat rode potje gesproken wordt. Ook al wil de man hier niet zijn, toch blijft er een muurvast fundament staan van een gedeeld leven, dat niet meer anders kan bedacht worden, dan hoe het is. Omdat het al zo lang, is zoals het is. Met al haar irritaties, onvolmaaktheden, verplichtingen.
Zij doet alsof ze zijn tegenzin niet opmerkt, net zoals hij haar aanklampend zoeken naar houvast verdraagt en in passant bevestigd wordt in zijn zinvolle aanwezigheid hier.
Misschien heeft ze hem hier helemaal niet nodig, maar doet ze alsof om hem te troosten of blijvend een rol te kunnen bieden in het huishoudelijke leven. Daar wordt naar alle waarschijnlijkheid zelfs nooit over gesproken. Dat is geweten, maar ook niet.

Sindsdien denk ik vaak aan dat rode potteke. Ik zal ooit een rood potteke hebben, in mijn huis, met mijn man. Ooit.

30

Het wordt almaar complexer. Familie, en tegelijk het “niet hebben” van familie.

Gisteren verjaarde ik, en ik kreeg een kaartje in de bus (zonder postzegel, dus moeder of vader moeten bij mij thuis zijn geweest, dat vind ik erg vervelend), een sms en daarjuist belden ze (maar toen sliep ik en ik ga niet terug bellen). Oh, en ze stuurden ook nog een mail. LAAT ONS WETEN WANNEER JIJ TIJD HEBT HE DAN VIEREN WE SAMEN. JODELAHITIE.

Jaren, jarenlang heb ik onbespreekbaar veel verdriet gehad, een verdriet dat ouder was dan mezelf, dat me was doorgegeven door een zieke, onbekwame vader. Jaren zei hij mij, dat dat mijn schuld was, dat dat belachelijk was, dat ik abnormaal was. Hij heeft me gehaat omdat hij zichzelf in mij zag, als kleutertje al, en het gezonde verstand niet had om zijn ego los te koppelen van mij als individu. Hij heeft mij beschadigd om zelf te overleven. Jaren heeft het me gekost om te herstellen van de traumatiserende opvoeding die zij als “juist” zagen. Nu ik eindelijk los van hen ben, nu ik eindelijk een eigen leven heb, een eigen weg voor mezelf gemaakt heb, nu klampen ze zich aan mij vast alsof ik altijd al hun lievelingskind was. Ik kan het niet verdragen.

Laatst sprak ik even met mijn oudere broer, die therapie volgt om zelfzekerder te zijn en sterker in zijn schoenen te staan. Ik bracht onze bizarre jeugd ter sprake, en de enige respons die ik kreeg was dat onze jeugd toch zo vlekkeloos en makkelijk was geweest. Opnieuw een totale, hardnekkige ontkenning en negatie van wat ik heb beleefd, wat WIJ hebben beleefd. Toen ik mijn versie van mijn jeugd daar tegenover zette, vroeg hij hoe het was op mijn werk. Laten we het vooral niet over zulke dingen hebben. Er is niemand die mij hoort, die “erbij was”. Dat is een vreselijk eenzaam gevoel. Er is geen loyaliteit in ons gezin. Er is alleen loyaliteit naar de goede vrede.

Stapje voor stapje begin ik te ontrafelen hoe ik gegroeid ben en waarom ik ben, hoe ik ben. Waarom ik geen kwetsbaarheid kan tonen, omdat mijn vader dan “jaloers” was, dat ik dat kon, ongedwongen, dat ik dan legitieme troost en aandacht kreeg. Hoe gevoelig ik ben, hoe mensen in mijn omgeving enorm op me inwerken. Hoeveel geborgenheid en veiligheid ik nodig heb. Hoezeer ik altijd iedereen gerust stel dat alles goed is, en hoe weinig ik erin slaag om te vertellen wanneer dat niet lukt. Op het werk vroeg een schat van een cipier vandaag, “en, gaat het hier een beetje?”. En ik zei, breed lachend, jaja, als het met mij niet gaat, dan zie je dat direct! En ik geloofde dat zelf op dat moment volledig.
Dat is helemaal niet waar… Als het met mij niet gaat, dan zie je niks. En ineens sta ik op de rand van de afgrond en is het totale chaos en valt iedereen uit de lucht.

Er is grote eenzaamheid maar tegelijk kan ik in deze eenzaamheid nog niemand toelaten. Het is te vroeg, ik ben niet klaar om hier mensen binnen te laten. Ik erken ze zelf nog maar net, voor ik ze zelf helemaal “aanvaard” kan hier niemand bij.

Een heel oud gedicht.

Uw leven mag efkes in een kluis
want gij hoort in de wereld nie thuis.
Ge weet het trouwens goe genoeg
er is nog veel werk voor de boeg.
En ge moet nie teveel protesteren
‘t is nu zo, ge moet da accepteren.

Als de wereld niemeer me u voort kan
ligt het probleem wellicht bij u, dan.
Ge kunt de wereld nie veranderen
ge moet leren omgaan met anderen.
De wereld draait altijd maar door
op een millennium oud spoor.

Maar alskik doordraai klopt het nie,
mijn spoor is namelijk zo oud nog nie.
Het heeft haar strepen nog nie verdiend
‘t is nie met de juste mensen bevriend.
Stuur Copernicus een vriendschapsverzoek
tegenwoordig zit alleman op Facebook.

Wakik voel is sowieso verkeerd
ondanks wa mijn intuïtie beweert.
Ik moet mij dertegen verzetten
anders zal da beletten
da mensen mij kansen geven
om rustig te kunnen leven.

 

King

Gisterenavond zag ik de documentaire over Michael Jackson, een erg emotioneel verhaal van verraad, leugens en heel veel leed. Wat de mensen bezield heeft om zo’n pure ziel valselijk te beschuldigen van iets lelijks als pedofilie, is ondenkbaar. Hoe verknipt kun je zijn. Gelukkig had de jury in die rechtszaak iets meer gezond verstand en werd hij vrijgepleit van deze gruwelijke en belachelijke aantijgingen.

Het greep me heel erg aan, omdat ook belicht wordt hoe geniaal de man was. Hoe hij op zijn eentje (samen met Quincy Jones, maar toch) de hele muziekindustrie op haar grondvesten heeft doen daveren, hoe hij de platenlabels uit de financiële crisis produce’te, hoe geen enkele muziek na zijn passage nog vrij kon blijven van zijn invloed. Toen hij nog leefde zei ik heel vaak, “de dag dat hij sterft, zal de hele wereld eventjes blijven stilstaan”. Welke mens kent Michael Jackson niet? Ongeacht waar je woont of opgroeide, Michael Jackson kent ie-de-reen.

Mijn leven veranderde resoluut en onomkeerbaar door MJ. Ergens heb ik het eens geschreven, hoe ik op mijn 6e voor de eerste keer naar de cinema ging; Free Willy was de film. Een film die op zich niet zo fantastisch is, maar tegelijk ook heel erg wel. Het was een tijd waarin dieren niet zo algemeen bekend konden zijn als nu. Het internet was niet wat het vandaag is. Als je niet aan de Atlantische Oceaan woonde en geen onmiddellijk contact met zeedieren onderhield, wist je gewoon niet wat een orka was.
De zaal werd zwart en heel zachtjes begon een synthesizer te spelen, een mooie, toegankelijke melodie. En dan barstte het los; Will You Be There, met diepe bassen die mijn sternum en ribben deden trillen, ik voelde mijn maag samenkrimpen, ik ben niet zeker of ik toen wel kon ademen. Daarna volgden hiphopnummers, die evenzeer geïnspireerd waren op Michael Jackson’s eerdere werk uiteraard. Ik zag een wereld die ik nooit gezien had. Ik werd meegesleurd in een verhaal, de koning van de pop had met een zachte muzikale streling de oogkleppen van mijn gezicht afgehaald. Ho-ly-shit.

Nog altijd (ik heb het nummer juist opgezet) gaan de haren op mijn armen én benen overeind staan als ik het hoor.

Verschrikkelijk vind ik het, dat de man ongetwijfeld voor miljoenen mensen hetzelfde heeft betekend, maar de geschiedenis voornamelijk in gaat als een “mens die op een bepaald moment werd verdacht van kindermisbruik, en waar rook is, is vuur”. In dit geval was er geen vuur. Er was alleen de pure, onschuldige en authentieke passie van de man voor muziek en dans. Rust in vrede, Michael.

Those of us who understood, those of us you changed, those of us who know what gift you gave us, we know. We know.

In my darkest hour, in my deepest despair, will you still care? Will you be there? In my trials and my tribulations. Through my doubts and frustrations. In my violence, in my turbulence, in my fear, in my confessions, in my anguish, in my pain, through my joy and my sorrow. In the promise of another tomorrow; I’ll never let you part. For you are always in my heart.

In de séparé

Daarjuist sprak een kennis me aan op café, ze had het moeilijk en vertelde een beetje over de negatieve signalen die ze van haar ouders (vooral haar vader blijkbaar) in haar jeugd had gekregen, waardoor ze vandaag zelf met een laag zelfbeeld bleef zitten.

Het deed me denken aan mezelf, en hoe lang ik heb rondgelopen met de vaste idee dat mijn jeugd bepaalde wie ik was en ben, hoe dat eindeloos leek. Hoe het leek of mijn moeilijke kinderjaren voor altijd een afdruk zouden achterlaten op mijn leven.
Zo voel ik me niet langer. Dat besefte ik pas, op het moment dat ik het haar hoorde vertellen. Er zijn veel slechte herinneringen, maar hoe langer hoe meer raken die uitgewist door wie ik vandaag zelf ben. Het is volgens mij allemaal een onderdeel van het moeilijke separatieproces waar ik, uitgesteld, in zit. Ik blijf erbij dat het door mijn vriend-psycholoog is, dat ik daaraan ben kunnen beginnen.

Vandaag ben ik, helemaal los van mijn gezin en familie, zelf iemand. Iemand die eigen keuzes en beslissingen neemt, iemand die zelf oplossingen bedenkt en uitvoert voor obstakels. Zonder de afstand die ik heb ingebouwd, nu ongeveer een half jaar geleden, was me dat vermoedelijk niet gelukt.
Hoe langer hoe meer, kan ik door die afstand mijn ouders ook bekijken met meer vergiffenis en begrip. Ik moet een onwaarschijnlijk moeilijk kind zijn geweest om op te voeden, met allerlei noden waar ze niet op voorzien waren.
Maar ook, wat een sterk kind moet ik geweest zijn, om koppig mijn geest en denkvermogen te willen blijven gebruiken, om in het verzet te gaan tegen het “meegaande”, om de verkeerde aanpak zo aan de kaak te stellen, en zo jong! Allerlei dingen die mijn ouders normaal vonden, vond ik, volledig terecht, niét normaal. Eigenlijk is het wel knap dat ik zo jong al een eigen mening kon vormen, kritisch kon kijken naar mijn eigen gezin. Dat ik me zo heb weten te verzetten!

Vandaag is mijn leven zo ingericht, dat ik er volledig zelf in geloof. De dingen die ik doe, en niet doe, zijn de dingen waar ik zelf wel, of niet, achter sta. De mensen die ik zie en dichtbij me heb, zijn de mensen waar ik zelf behoefte aan heb, omdat het mensen zijn waarvan ik weet dat ze mijn tijd verdienen. Het zijn mensen waar ik zelf in geloof. Mensen die staan voor de juiste dingen, mensen die vechten voor de juiste dingen.
Waar het me vroeger moeite kostte om daar zelfvertrouwen uit te putten, wordt dat meer en meer de basis van mijn denken over mezelf. Waar ik vroeger energie stak in mensen, gewoon om graag gezien te worden, doe ik dat nu vanuit een volledig eigen graag-zien, vanuit een oprecht vertrouwen in die mensen en wie ze zijn.

Misschien lijken dat kleine stapjes, maar ze zijn significant. Dit is weer zo’n gedachtestukje dat deel gaat uitmaken van een groter “weten”. Dit zal vanzelfsprekend worden.

Memoire

De beste bevestiging dat de empirische wetenschappen (en daaruit volgend erg vaak de geneeskunde) aan een groot deel van de realiteit voorbijgaan, is de natuur van het geheugen.
Het geheugen zit niet in neuronen, niet in neuronencomplexen en niet in bepaalde organen. Het geheugen zit in de synaptische ruimtes tussen tienduizenden neuronen onderling. Het geheugen zit precies daar waar geen materie zit; het zit in de schijnbaar willekeurige sequentie van transmissies, maar in geen enkele tastbare neurotransmitter alleen.
 
Aangezien het geheugen een heel groot deel van onze identiteit, onze beleving en onze emotie bepaalt, zou ik durven zeggen dat dat hetgene is wat ons als organisme “levend” maakt. Het geheugen is het eindproduct van onze verbinding met de omgeving. Zonder verbinding met de omgeving worden wij niet beschouwd als levende wezens (bijvoorbeeld een steen). En zonder geheugen kan de verbinding met de omgeving niet tot leven leiden, aangezien je op voorgaande ervaringen moet kunnen terugvallen om te evolueren.
 
Als je denkt aan jezelf, dan ga je terug naar herinneringen. Hoe ben ik, wat voor dingen doe ik, die mij illustreren? Het zijn jouw herinneringen, en jouw aanpassingen daarop, die jou kneden en vormen. De manieren waarop je je aanpast zijn deels genetisch bepaald, deels aangeleerd, en deels ook nog eens zelf uitgedokterd. Je hersenen kneden zichzelf, bepaalde reacties en primaire emoties raken rond je zoveelste levensjaar zo diep ingebed in je zenuwbanen, dat ze je “karakter” worden; dat kan je niet meer ineens veranderen. Die hersencellen zijn zo stevig aan elkaar vastgeplakt met myeline en allerlei andere plakkerige hersenconsolideerdingen, dat dat vanaf nu de bestaande snelweg is voor bepaalde informatie.
Dat is de definitie van het geheugen. Een pad, dat zo vaak bewandeld is, dat het zich diep in de aarde groeft.
Informatie van de ene kant van die snelweg (limbische systeem) naar de andere kant (cortex) heeft dus vaak maar de keuze tussen een paar snelwegen. Paniekreacties, hysterische emoties en dergelijke meer zijn vaak onafwendbaar in bepaalde situaties. Het enige wat we kunnen doen, is leren hoe we zijn van anderen, en leren naar onszelf te kijken met de eerlijke ogen van een ander. De initiële baan van “informatie” naar “hysterische respons” kan dan verder leren lopen naar “ahja ik krijg het weer” en “rust” -altijd weer een beetje sneller overigens.
Maar mijn punt was vooral dat de essentie van wie en wat we zijn, het geheugen, niet tastbaar is. Je kunt niet aantonen wat er gebeurt, precies in de leemte tussen twee cellen. Je kunt niet isoleren wat “persoonlijkheid” is binnenin een hersenpan.
Je kunt de glutamaatmolecule niet herleiden tot een gevoel. Je kunt zelfs een bepaalde formatie van hersencellen tesamen niet interpreteren als een concept. Via-via staan alle cellen met elkaar in contact, van je kleine teennagelcel tot de zenuwcel op je retina. Ook je kleine teennagelcel kan via-via informatie doorgeven aan de zenuwcel op je retina, als dat zinvol zou zijn. Het hele lichaam is pure informatie, het hele lichaam is een geheugen.
Wij zijn een geheugen. Of we één geheugen zijn, dat weet ik niet, maar daar denk ik soms ook aan, en dan word ik gek.

De hoornaar en de bij

Jij bent een Japanse reuzenhoornaar. Het enige wat jij kent, is brute kracht en een instinct om te vernietigen, want jouw kracht overstijgt ook voortdurend die van iedereen. Er zijn heel weinig dieren die jouw natuurlijke vijand willen of kunnen zijn. Je bent groter, je hebt grotere monddelen, je vliegt sneller, je pantser is dikker en zwaarder, je angel is langer en dikker, je gif is potent. Je verlaat het nest alleen, op jacht, in een solitaire tocht om je honger te stillen. Het liefste tref je een bijennest aan, waar je hen achteloos in twee knipt en de honing steelt. In alles wat met de annihilatie van de ander te maken heeft, overheers je. Je bent het gewend om te nemen wat jij wil, omdat haast niemand tegenstand kan bieden. Je bouwt zelf niets op, maar neemt het werk van anderen tot jou.
Je hebt weinig anders in huis. Want daarbuiten kun jij alleen een larve zijn. Hulpeloos. Afhankelijk. Zwak. Week. Je bent verplicht om je te omringen met zorgers, die niks meer van jou verwachten dan dat. Zodat je, heel af en toe, jezelf kunt toestaan om niet agressief te zijn. En dan is het weer tijd om ten aanval te trekken, de zorgers profiterend van jouw beschermende intimidatie. Je leven is star en bewegingloos.

Wij zijn bijen. Wanneer ik steek, dood ik tegelijk mezelf. Ik ben omringd door andere bijen, die even volhardend, dapper en betrokken zijn als ik. We werken samen aan een gemeenschappelijk doel; onze honing. Onze mentaliteit is er één van inclusie, samenwerking, onvoorwaardelijkheid en solidariteit.
Mijn zwaktes zijn gekend door de anderen, en andersom. We verheffen elkaar.
Wij vallen niet aan, tenzij iemand ons aanvalt. Onze tochten zijn gericht op constructie, in plaats van destructie. Wij werken onverdroten aan ons nest, aan het voortbestaan van onze soort, aan de verspreiding van onze levenswijze. Dat vraagt inzet, enorme inzet.

Jij verlaat het nest tijdens de winter. Als het leven koud en hard wordt, dan ga jij weg, of je sterft. Er zijn geen andere hoornaars waar jij op kan terugvallen, zo werkt dat in jouw wereld niet. De andere hoornaars en jij werken functioneel samen, maar achter die samenwerking huist geen ziel en geen emotie.
Wij leven samen wel 5 jaar, lekker warm binnenin ons nest. We leven van wat we hebben opgebouwd en delen dit onder elkaar. Oude bijen, gewonde bijen, zwakkere bijen; elke levende bij krijgt honing, ongeacht hoeveel ze op tocht is geweest -daar wordt zelfs niet naar gevraagd. Onze taken zijn afwisselend en complex. We verluchten, we verzamelen, we poetsen, we praten, we verzorgen, we bouwen, we verwarmen.
Samen zijn we zelfvoorzienend. We hoeven van niemand te nemen, we zijn zelfstandig in onze gedeelde afhankelijkheid. We hoeven geen larve te zijn om te rusten, want onze natuurlijke aard is constructief en creatief. Wanneer wij rusten, nemen andere bijen het even over. We zijn zelf alle verschillende rollen op verschillende momenten.

Heel even, dacht ik dat we op elkaar leken. Mijn medewerksters hebben me gelukkig tijdig tot de orde geroepen. Jij bent een bij. Je hoeft niks anders te zijn, dan dat. Verjaag die hoornaar, voor hij met een leger jouw nest komt uitmoorden en jouw honing stelen.

Mitose

In sneltempo klikken allerlei dingen in elkaar, ze vallen en ze passen precies, en vormen plots een grotere gedachte. Een grotere gedachte die zoveel kleinere gedachten bij elkaar neemt, dat ze een soort “weten” wordt, geen denkoefening. Een begrip, een basis, die geen energie van me vergt, maar gewoon deel uitmaakt van mijn werkelijkheid. Het zou me vandaag eigenlijk meer moeite kosten om al die kleine gedachten terug in woorden te zetten.

Maar vandaag klikte er zo eentje tijdens het lopen. Hoe ik een appèl heb gedaan op een collega om me te beschermen, en hoe die daarop is ingegaan (met de warmste, beste bedoelingen), en hoe dat, ongemerkt en per ongeluk, vermoedelijk geleid heeft tot mijn ontslag.
Dat ontslag moest er komen, werkelijk. Dat begrijp ik nu. Die werkplaats was een goede plek voor mij om te starten aan een groeiproces, maar ik was het ontgroeid ook, en daar moest ik echt weg. Anders had ik dit nooit kunnen afwerken.
Ik verschuilde me, achter hem, en haalde uit naar het systeem vanachter het scherm dat hij gewillig voor me optrok. Ik vocht niet voor mezelf en vocht daardoor met zwakte, niet met secure en zelfstandige motieven.

Die collega zal altijd een vriend zijn. Dat weet ik nu met meer zekerheid dan ooit. Hij heeft iets in mij verplaatst, een blok verschoven binnen mijn fundamenten, waardoor de hele structuur steviger kon komen te staan. Maar ik merkte de laatste tijd een zekere wrijving. Een twijfel, een angst. Wat nu? We werken niet meer samen, we komen elkaar niet meer veel tegen. Gaat hij nu nog wel “oog” voor mij hebben? Besta ik nu nog? Heb ik hem teleurgesteld, nu ik het op het werk verkloot heb?
Hij zei dat hij er altijd voor mij zou zijn. Heeft hij dat zomaar gezegd? Bedoelde hij dat, zolang ik een collega was? Zie je nu wel! Nu zegt hij niks meer terug, als ik hem schrijf!

Maar nu heeft dat zich geplaatst, zoals gewoonlijk tijdens het lopen. Alleen tijdens het lopen is mijn lichaam voldoende in beweging, dat mijn gedachten zich kunnen afronden, zonder te vluchten naar het immateriële.
Zomaar, zonder duidelijke aanleiding, zag ik heel helder in hoe ik me op een ongezonde manier heb vastgeklampt aan hem, en hoe dat alleen maar mijn eigen verantwoordelijkheid, mijn eigen beslissing en mijn gedrag was. Op dat punt in mijn ontwikkeling kon ik nog niet anders, dus in dat opzicht was het misschien niet echt een ‘keuze’, maar ik ben 29 en dit blijft van mij en van niemand anders. Mijn boosheid over onze “afstand”, is daar een rechtstreeks gevolg van, en dat staat helemaal los van hem. Hij is er op consequente wijze altijd geweest. En ik heb verdomme chance dat ik zo iemand heb, dat zal ik zelf ook wel verdiend hebben.

Dromen

Ik droomde vannacht heel helder dat ik terechtkwam in een situatie waarin een baby voor mijn ogen vermoord/verwaarloosd werd door zijn moeder. Ik hield het levenloze/verzwakte lichaampje verschrikt in mijn armen. Hoewel ik me herinner hoe helder de droom was, herinner ik me niet meer, dan dat (hij was in het wit gekleed of gewikkeld).

Een baby is een symbool voor innerlijke onschuld, iets wat klein, naïef of kwetsbaar is. De baby is meestal een onbewuste behoefte aan troost, zorg.

De moord staat symbool voor ingehouden woede, een kwaadheid die niet erkend wordt. Het zien van iemand anders die de moord uitvoert, slaat helemaal op ontkenning van die kwaadheid. Het onderbewuste probeert iets “uit te wieden”.

Het is duidelijk dat ik afscheid aan het nemen ben van een heel oud gedeelte van mezelf; troost en zorg van anderen nodig hebben, in plaats van daar zelf voor te leren opkomen/zorgen. Dat was snel! En precies.