Braak

De afbraak is begonnen. Grappig, dat net nu de boulimie overwonnen is, een concept kan beginnen dat dezelfde etymologie heeft. Braken en breken zijn eigenlijk allebei hetzelfde woord. Met braken, breek je je lijf ook wel af, dus dat blijft logisch.

De afbraak waar ik op doel, is die van het oude huis waar ik in woon. Het voldoet niet langer, mijn smaak is veranderd. Ik ben al heel mijn leven bezig aan kleine werken, de gevel kon wat werk gebruiken. Zachter zijn, de agressie van binnenshuis beter binnenhouden. Maar de agressie binnenshuis heeft alles gesloopt, er staat eigenlijk enkel nog een gevel. Die mag even blijven wat hij is.
Het is goed, dat dit afgebroken raakt. Het zijn verouderde structuren die me niet langer helpen, het huis zelf niet langer ondersteunen. De gordijnen zijn rot, gescheurd. Het water wordt niet warm, de boiler is kapot. De verwarming is niet meer aangesloten. De winter komt eraan en het vocht in de muren dreigt alles kapot te vriezen. Het is kil, vochtig, het ruikt naar schimmel en verwaarlozing, daarbinnen.

Deze winter wil ik verwarming. Troostende gedachten over mezelf, mezelf leren verzorgen, mijn grenzen leren koesteren. Me omringen met lieve mensen, toelaten dat die mensen binnenkomen en zien wat een ravage er daarbinnen is aangericht, precies door niks te hebben gedaan, al die jaren. Er is veel schaamte, maar de enige remedie tegen schaamte, is openheid -en in een later stadium, humor.
Ik schaam me, dat ik als volwassene nog altijd niet gevonden heb, hoe ik in mijn eigen noden moet voorzien. Ik schaam me, dat ik al jaren investeer in een gevel die mensen misleidt, en dat ik daardoor de verkeerde mensen aantrek en nadien in de slachtofferrol kruip (dat doe ik binnen, dat doe ik alleen). Ik schaam me, dat ik mensen ontvang in mijn voortuin, omdat ik de voordeur niet durf openen, uit angst voor wat men ervan gaat vinden.

Maar daarbinnen zijn wel degelijk nog dingen goed. Ik moet kritisch blijven, maar ook niet negatiever dan nodig. De draagmuren staan er nog, ik heb nog veerkracht. De keuken heb ik opgelapt, ik kook gezond en eet voldoende. De slaapkamer heeft een bed, het is een matras op de vloer maar het is een bed en het wordt verschoond; ik slaap acht uur per nacht, en wanneer ik wakker word, ben ik uitgerust. Tegenwoordig luister ik tijdens het slapen naar boeddhistische OM-gezangen, heel zacht, of orthodoxe koren. De geluiden zijn rustgevend, als de golven van de zee.
De ramen zijn niet kapot, maar ik vergeet enkele soms te sluiten om mijn interieur te beschermen, dat wel. Als de wind dan te erg van voren komt, dan regent het binnen. Of mensen breken in. Ik moet leren om mensen te vragen via de deur binnen te komen, en als ze dat niet willen doen, dan zijn het geen mensen voor mij. Het dak is nog goed, het fundamentele schild tegen het weer, dat staat er.
De achterdeur naar de wilde tuin knelt, je moet de klink met al je macht omhoog trekken om de deur open te wrikken. De wilde tuin is mijn onderbewuste, mijn gevoelsleven, mijn diepste, gevoeligste kern. Die zal altijd wild zijn, het heeft geen zin om te proberen daar in te wieden. Daar leven mijn oprechtste emoties, die zijn niet gemaakt om in perkjes te staan. Sommige mensen kunnen dat, een tuin organiseren en indelen, maar andere mensen zoals ik, hebben liever een wilde tuin. In een wilde tuin kunnen onverwachte vruchten uitkomen. Ook dat is het geval.
Die achterdeur is een dikke houten deur, een erg oude deur. Vroeger werd die dichtgeknald en op slot gedraaid. De buitenwereld begon op de drempel van die deur, maakte ik mezelf wijs. Maar door te denken dat ik mezelf op die manier beschermde, verwaarloosde ik mijn hart.
Eigenlijk zou ik moeten werken aan een glazen deur, die vaker op een kier mag staan. Dat ik kan kijken naar de bloemen die daar uitkomen, de sneeuw die daar valt, de zon die de vorstpegels doet schitteren. Dat ik ermee in contact sta.

Onlangs vertelde iemand mij nog dat in Canada alle deuren openstaan, en dat er niet wordt ingebroken. Als ik vertrouwender ben, als ik rustiger ben, dan breken mensen bij mij misschien ook niet in.

Liefst zou ik ook een knusse woonkamer inrichten, waar mensen kunnen binnenkomen en op hun gemak zijn. Voorlopig staan daar plastieken stoelen en eentje heeft maar drie poten. Mijn daadwerkelijke thuis heb ik alvast weten in te richten volgens mijn smaak en ik kom graag thuis. Het is hier warm, proper en ik heb alles wat ik nodig heb.
Toen ik hier jaren geleden pas woonde, wilde ik het vooral op sneltempo “inkijkklaar” hebben, mensen moesten binnenkomen en het goed vinden. Hoe langer hoe meer, is dit “mijn” thuis geworden. Er is misschien toch een zelfzorgende basis gelegd, zonder dat ik er erg in had.

Eerst verwarming.

Advertisements

Hoornaar

De steek van de hoornaar van deze avond klopt nog in mijn schouder. Een verbazingwekkend concreet en direct gebaar van het Universum, of wat je het ook moet noemen. Gekte, misschien. Ik vond er alleszins betekenis in van een uitzonderlijk troostende aard.
Deze avond ging ik nogmaals lopen. Gisteren deed ik al vele kilometers, maar ik wilde deze avond nog een kortere route doen, om mijn spieren “erin te houden”. Tegenwoordig kan ik terug lopen. Dat kunnen stamt niet af van een spiermassa, kunnen lopen is voor mijn lichaam een teken van directere aansturing van hoofd naar lijf. De moed vinden en houden om zo te vertrekken en mij fysiek te vermoeien, is als een paringsdans tussen mijn denken en mijn voelen. Beide verzoenen zich weer, en dat is goed.

Een periode van rust, na het toch vreemde en onverwachte ontslag, was geboden. Toch bleek de impact van wat er gebeurde te groot om mij te vrijwaren van een kopstoot. Met weinig moeite leek ik het aanvankelijk te incasseren, een bepaald gemak liet me toe om te investeren in vriendschappen, die me doorheen de leegte droegen. Ongetwijfeld was dat “juist”, ook al was het uitstel.
En dan liet ik de verkeerde mensen in de verkeerde kamers van mijn huis binnen, zoals me dat vaker overkomt wanneer ik achteloos, nonchalant ben. Wanneer ik het contact met mezelf verlies, wanneer mijn voeten de modder niet meer raken. Het is niet dat ik mezelf niet meer was, het is niet dat ik daar bewust naar op zoek was; maar al mijn wachters sliepen. Na maanden, eigenlijk bijna een jaar lang, in staat van verhoogde alertheid te verkeren, heb ik, na mijn ontslag, alles laten rusten. Even de ogen gesloten.

Een man met een zwarte ziekte drong mijn kamers binnen en ik reageerde te laat. Hij is geen zieke man, maar zijn komst verwerd tot een symbool van kwetsing binnenin mij. Omdat ik even vurig voelde, liep er als het ware een elektrische schok doorheen mijn hele gevoelsarsenaal. En dus ook, plots, door de pijn, die al weken in slaap was gehouden. Alles kwam los, alles. Het behang, de deuren uit hun scharnieren, de planken van de vloer.
De pijnlijke steek van de hoornaar, met wie ik ben opgegroeid en waarvan ik weet dat die zelden tot agressie overgaat, maakte mijn innerlijke zicht wakker. Het insect gaat terug naar mijn kinderlijke, pure onschuld, die nog ijzersterk weigert te plooien voor een volwassen detachement van het gevoel. Zie, kind! Hoe kun je nu zo blind zijn! Zij bromde zelfs nog een paar seconden gefrustreerd in mijn buurt, alvorens terug tussen het bos te gaan rusten. Haar taak volbracht.

Het heeft lang genoeg geduurd. Het is tijd om terug “wakker” te zijn. Wakker in de zin van bewust. Zo’n steek doet verdoeme pijn, maar een pijnprikkel is soms het enige wat mensen uit de bewusteloosheid kan terug trekken.
Met immense dankbaarheid en deze troostende gedachte kan ik verder.

Het is 1 september, een irreële datum. Het is jaren geleden dat ik nog in een schools systeem zat, maar 1 september is een datum die je je hele leven niet vergeet. Tegelijk hoopvol, tegelijk dramatisch en levensbeëindigend. Ze zeggen mij dat ik een boek moet schrijven, maar ik begrijp niet waarom ze mij dat zeggen, noch voor wie ik het zou moeten doen.
Een boek wordt pas verteerbaar als de verschillende verhalen een samenhang krijgen, een soort raster dat alles bij elkaar houdt. Een beetje zoals de ‘ruimte’ en ‘tijd’ theorie van Einstein, dat bekende beeld van een in vierkanten ingedeeld vlak. Maar mijn leven kent geen samenhang. Mijn leven bestaat uit versnipperde, gecompartimentaliseerde verhalen die langs elkaar lopen en zelden interageren. Mijn biologische familie voelt als kennissen en vrienden voelen als familie. Mijn innerlijke leven verloopt grotendeels solitair, ingetogen en vluchtig. Wat ik uit zijn flarden, snippers, daarom niet irrelevant.

Nu ik heb geleerd om alleen te zijn, nu ik de eenzaamheid gericht opzoek omdat ze zo comfortabel en verwachtingsloos is, lijken mijn sociale vaardigheden toegenomen. Ik word bedrevener in het ‘nietszeggende’ contact, dat toch betekenis kan hebben -meestal voor de ander, maak ik mezelf wijs.

Maar ik blijf bang. Hoe langer hoe acuter bewust ik ben, van de voortdurende angst die ik overal met me meedraag. Word ik gevolgd? Word ik in de gaten gehouden? Vind ik ooit nog werk? Zal ik ooit een kind baren en grootbrengen?
Het kost me moeite, maar ik probeer desondanks om daar zo weinig mogelijk aandacht aan te besteden. Ik heb met mezelf afgesproken dat het gedaan moet zijn met het innemen van een slachtofferrol of daarmee te flirten. Er zijn mensen die mij heel graag zien, dat wil zeggen dat het kan. Het wordt ook tijd om dapperder te worden, de dingen meer rechtstreeks tegemoet te gaan. Ik denk altijd over mezelf dat ik dapper ben, omdat mijn angstniveau continu zo hoog ligt. Maar als je mijn levensstrategie in de praktijk vergelijkt met een ander, dan denk ik niet meer dat ik zo dapper ben.

Ontslag

Iets meer dan een week terug kwam het dan; het onvermijdelijke ontslag. Een elegant ontslag weliswaar, correct in verhouding met wat ik heb “gegeven”. Maar wat ik wilde geven, lag niet (langer) in de lijn van wat de kliniek van me wilde. Een werkplaats is als een relatie; soms raakt het op. Wonderbaarlijk genoeg was de paniek niet zo groot; ik vond snel hoop en zin in de gebeurtenis. Wat ik doe, past niet binnen het keurslijf van dat ziekenhuis. Het is tijd voor iets anders.

Als verpleegkundige autonoom denken, is niet zo eenvoudig. Op het eerste zicht zou men denken; ja, zo moet het. Dat dat niet blijkt te kloppen, is een fundamentele desillusie geweest, maar maakt ook ruimte. Door het wegvallen van dat ideale beeld, komt er plaats voor een nieuwe, realistischere visie op het werkveld.
Ziekenhuizen brengen namelijk “teams” voort, en teams zijn een erg complexe zaak. Teams bestaan uit een 20-tal verpleegkundigen, waarvan elke verpleegkundige haar eigen manier van kijken heeft. Dat dat onvermijdelijk tot een centrum-denkend groepsgebeuren leidt, is dus niet zo moeilijk te bedenken. Wanneer je bovendien extreem kritisch van geest bent en zelfstandig in je denken, wordt het bijna onmogelijk om staande te blijven.
Een team wordt een groep, en een groep dicteert in zekere zin hoever een individu binnen die groep mag gaan/denken.

Precies door mijn context en mijn verhaal, ben ik immuun voor groepsdynamiek. De meeste mensen zijn ingesteld met een behoefte aan “erbij horen”, dat is wat van de mens een sociaal dier maakt. Dat heb ik, misschien door de diepgewortelde hechtingsstoornis die me typeert, veel minder dan anderen. Het is niet omdat een groep iets zo doet, dat ik het niet anders zal proberen.
Een groep dient tolerant te zijn, om dat te kunnen verdragen. Het is echter eigen aan een groep, om afwijking te proberen weren, want afwijking bedreigt het karakter van de groep. Een nieuw groepslid dat de “gewoontes” niet volgt, dreigt het voor iedereen mogelijk te maken om “anders” te zijn. Het is een normale groepsdynamische respons om dan dat nieuwe groepslid te verwijderen, om het bekende, het harmonische te behouden.
Het ziekenhuis mag denken wat het wil, de progressiviteit zit (of ontbreekt) in de teams. Het mag beleidsmatig heel mooi worden uitgelegd, als het niet doorsijpelt tot de absolute basis, is alles zinloos. Een ziekenhuis kan dus progressief denken, en symposia organiseren over stigmatisering, ervaringsdeskundigen betalend aan het werk hebben, zolang verpleegkundigen in de teams niet “durven” zelf te denken, is het water naar de zee dragen.

Er vallen dingen te zeggen over mijn keuze om verpleegkundige te worden. Als ik gekozen had om psychologie te studeren, had ik als autonome psychologe op een afdeling de visie kunnen uitstippelen. Dan was de weerstand omkaderd geweest; ja, zij heeft dat als taak. Maar die oplossing is niet duurzaam. Het is binnen de psychiatrische verpleegkunde dat er dingen moeten veranderen. Want het is daar dat het patiëntencontact het intensiefste is.
Er zit een gigantische vulkaan aan onontgonnen liefde, warmte en capaciteit in teams. In ieder individu, dat ooit de keuze maakte om in de psychiatrie te gaan werken, zit een immense drive. Maar hoe teams op dit moment georganiseerd zijn, kan dat niet benut worden zoals het zou moeten. Er is veel te weinig aandacht voor ieders verhaal, te weinig tijd om elkaar te begrijpen, ten volle, te weinig ruimte om het engagement te kunnen vrijmaken om te gaan voor totale acceptatie van elkaars verschillen.
Daardoor moeten mensen in een tamelijk stressvolle omgeving met elkaar zien te accorderen, terwijl er geen tijd is om dat ten gronde te doen. Je moet dus al gemakkelijk/eenvoudig/transparant zijn van karakter om daar gemakkelijk in op te lossen. Dat is bij de beste verpleegkundigen in het veld, doorgaans niet het geval.

Zelf durven denken is iets wat geloof, veiligheid en vertrouwen vergt. En dat moet van bovenaf komen, vanuit de directie, vanuit het diensthoofd. (Beleids)teams zijn gewoonlijk sowieso al te groot, te wisselend en te zeer gebonden aan regels en protocollen, om die toestand ooit te kunnen bereiken. Naar mijn gevoel zit daar Euvel Nummer 1.
Veel verpleegkundigen denken ook echt van zichzelf, “ik ben maar verpleegster”. Dat heb ik heel vaak gehoord, liefst nog van collega’s die al 20 jaar ervaring hadden en dus een enorme bron aan kennis waren. Werknemers, en ik geloof mensen in deze samenleving in het algemeen, zijn getroffen door een overweldigende onzekerheid in hun kunnen. En een onzekere mens zoekt houvast in het bekende, worden automatisch conservatiever.
Op die manier verzanden teams altijd weer in het centrum, veilig, bekend, “aanvaard”.

Collega’s blozen of worden verlegen in het bijzijn van de dokter, terwijl zij degenen zijn die acht uur lang de razernij van een patiënt opvangen die negen van de tien, het gevolg is van een medische beslissing. De arts zou mogen blozen in het bijzijn van de verpleegkundige.
Klinieken investeren in bijscholing en steun voor het verpleegkundige korps, maar veel te weinig in het aansterken van de zelfzekerheid van teams. Teamdagen duren 1 dag, in plaats van twee weken lang intensieve kennismaking, leren open met elkaar te spreken, leren om elkaar te begrijpen. Het is slechts door in te zetten op een veilig klimaat binnen een team, dat je kan beginnen aan het creëren van een veilig klimaat voor patiënten. Het ene kan zonder het andere niet bestaan.

Hoe beter je elkaar kent, hoe groter de kans dat je raakvlakken vindt. En elk raakvlak is een garantie voor verdraagzaamheid voor een verschil. Zo werkt iedere mens. Het schijnbare verschil kan veel groter worden in de onbekendheid, en nagenoeg verdwijnen eens je vordert in het ontmoetingsproces. Slechts zo krijg je cohesie, en die wordt, samen met het progressieve denken, alleen maar belangrijker.
In de klassieke, verouderde en paternalistische psychiatrie, was er minder cohesie nodig, want alle regels lagen al vast en er kwam nergens een onderhandelingsproces aan te pas. Dat is vandaag (gelukkig!) anders, alleen worden de échte progressieve denkers geweerd omdat zij moeilijker in een team opgenomen worden. En draai het hoe je wil; het zijn teams die bepalen wie er wel en niet kan blijven. Niet de psycholoog, niet de psychiater, niet het diensthoofd. Het team is machtig, alleen weet ze dat zelf niet. Er is ook niemand bereid haar dat te vertellen, want de kliniek is zelf bang en onzeker. Het is gewoon de tijdsgeest, vrees ik.

Er hangt overal angst, iedereen is altijd een klein beetje ongerust. Heb ik morgen nog werk? Kan ik mijn auto nog betalen? Haal ik mijn huur? Ziet mijn partner mij nog graag? Ben ik een toffe mama, en vooral, ziet iedereen dat?
Vooral binnen de verpleegkunde is dat relevant. Het loon is onevenredig met de job, zeker als je bedenkt wat psychiaters verdienen. Verpleegkundigen zijn sociaal-demografisch vaak ook van gelijkaardige achtergrond; bescheiden gezinnen en bescheiden dromen -ONTERECHT.
Het spijtige is dat het hart van de psychiatrische verpleegkunde niet te kwantificeren valt. Het hart van wat wij doen, is nabijheid bieden, mensen ontdekken, op pad gaan, warmte en veiligheid geven om henzelf toe te laten zich te ontplooien, zoals zij dat zelf willen. Daar kun je geen examen over schrijven, dat kun je in een sollicitatiegesprek niet bevragen. Dat is gokken.
Maar dat is ook een soort groepsklimaat dat ontstaat, een ingetogen persoon kan zich ontpoppen tot een rots, binnen het juiste team. Maar dat klimaat kan enkel en alleen bestaan, en daar durf ik mijn hand voor in het vuur steken, als het team bestaat uit heel veel verschillende mensen. Een team met allemaal gelijkaardige denkers, is een ongezond, rigide team. Standaard. Zelfs een team vol progressieve denkers, verzandt binnen de kortste keren in centrumdenkend gezwets.

Om de verschillen van een ander te kunnen tolereren binnen je hoofd, moet je ook in vrede leven met jezelf. Bedreigingen moet je soms kunnen herkennen als iets van jezelf, misverstanden moet je durven aftoetsen en ook in alle eerlijkheid loslaten als je indrukken niet bleken te kloppen. Om die gedachtengang te kunnen inslaan, is een vertrouwen in de eigenwaarde een conditio sine qua non. Het beleidsteam van het ziekenhuis is verantwoordelijk om dat mogelijk te maken, of toch zeker op zijn minst om te beseffen wanneer dat niet het geval is -en daar falen zij, enorm. Euvel Nummer 2.
Er bestaan van die formules, zoals “TVO” (Tijd Voor Onszelf), waarin teams bij elkaar zitten en spreken over dingen die hen dwarsliggen, dingen die hen hebben geraakt, waarin conflicten worden opgelost. De praktijk leert mij echter dat de groep vaak te groot is om veilig aan te voelen. Dus wordt er eigenlijk weinig gesproken over dingen die écht belangrijk zijn. Er wordt zelfs niet gesproken over het onveilige karakter van de TVO.
De wereld is een onherbergzame plaats geworden. We spreken erover en we denken aan gemarginaliseerde patiënten, alsof het enkel hen treft. Het treft ons allemaal, elke dag. We zijn bang. We praten niet met elkaar over die angsten, we beseffen de helft van de tijd niet eens hoe bang we zijn. Zo normaal voelt het.
Dit is geen politiek pleidooi, maar Europa verrechtst en dat gaat altijd gepaard met minder ruimte om ‘af te wijken’. Gooi daar nog eens bovenop dat we almaar minder tijd hebben om echt gewoon bij elkaar te zijn, te praten, te ontspannen, en je krijgt een herhaling van het Europa van eind 19e eeuw. Over 30 jaar zullen we het resultaat te zien krijgen van deze vreselijke cyclus.

Of er echt iets aan te doen valt, is de vraag.
Het belangrijkste wat ik wil onthouden, is wat dit zegt over mezelf; dat ik niet beïnvloedbaar ben door die tendens. Dat ik verzetstrijder ben, op mijn manier.

Zin

Het regent. Zo voel ik me wel een beetje. Steeds vaker heb ik bij het ontwaken, voor alle context en mores door zinken in mijn bewustzijn, een immens gevoel van zinloosheid. Dat overvalt me als een blok of een groot gewicht, plots legt een last zich op mijn gemoed, als een grote zandzak die iemand op je schouders of je rug zou leggen.
Wat zijn we in hemelsnaam aan het doen in de kliniek, denk ik dan. Waar zijn wij mee bezig. Waarom denken wij dat wij iets aan het doen zijn, terwijl we zo vaak de verkeerde weg inslaan. We ‘verzorgen’ psychisch kwetsbare mensen als kasplantjes, oh, ocharme. Dingen die ze doen, waarmee ze mensen voor de borst stuiten, moeten we kaderen in de ziekte, daar moeten we boven staan. Met andere woorden, we laten iets bestaan, wat in de wereld hierbuiten niet gepikt zal worden.
We beschermen ze, om ze dan een wereld in te sturen waarin ze niet kunnen overleven.

Wat haat ik dat. Wat haat ik het, dat ik daaraan deel moet nemen. En wat haat ik het, dat ik, als ik tracht om verandering binnen te brengen, dat ik dan als ‘deviant’ word omschreven. Sommige patiënten zijn onbeleefd, moedwillig respectloos, met opzet bot, en daar moet ik dan ‘boven staan’. Wat gaan ze dan doen, als ze buiten het ziekenhuis een manier moeten vinden om een sociaal netwerk op te bouwen?

Los

Hoe langer hoe meer kalft mijn masker af. Elke dag voel ik hem dunner worden, eventjes zichtbaarder dan anders. Paradoxaal genoeg, valt een half masker harder op, dan een volledig, zie je.

Vaak voel ik me dan plots enorm naakt, vreselijk zichtbaar. Dat blijkt dan achteraf helemaal niet zo te zijn. Dat is enorm vreemd. Misschien is het niet zichtbaar, omdat het normaal is, wat ik voel. Misschien is het wel abnormaal dat ik me vroeger veilig wist achter mijn masker, en geen of weinig ongemak liet blijken in bepaalde situaties.

Abby

Je zindert op mijn gespin

Zo zacht als je pels binnenin.

Vlak achter de deur waar je leeft

Zomaar.

Het keukenraam is je poort

Naar de vogels die je hoort.

Vangen doe jij nooit

-dat is jouw keuze.

Je voelt mijn gedachten

Aan het treuzelen van mijn vingers,

Aan het iets te lang wachten

Om te delen van verzinsels.

Je hangt altijd vol pindakaas

Je holt en rent en raast

En dan

Sta je stokstijf

Op wacht

Je jaagt op mijn demonen

Als Saturnus op zijn zonen,

Een schaterlach ontsnapt

Waar de traan was neergespat.

Je kirren mijn kompas

Als de roes me te diep was

Jouw rust bewijst de mijne.

Mijn thuisdier, mijn Daimoon.

Waar je bent is waar ik woon.

906514_10151424502923881_458466627_o

Prop

Ge zijt een toffe zene, echt een heel toffe meid. Je bent slim en mooi.

Maar ik doe het niemeer graag. Het is zo’n opgave om mezelf in een vormpje te proppen waar ik eigenlijk niet in pas. Ze willen me veranderen en verbeteren, je bent bijna goed, nog een klein mankementje wegwerken en je bent goed zoals je bent.

Mijn moeder had een cassette voor mij, toen ik een kleutertje was dat niet wou slapen, met walviszangen op. Vijf uur lang het gehuil van bultruggen. Zelfs nu grijp ik nog terug naar die geluiden, gewoon omdat het bekend is. Er is niet één herinnering die aan normaliteit doet denken. Alles was moeilijk, anders, pijnlijk.

Dat voelt nog altijd een beetje zo. Een week of twee geleden voelde ik me goed, ik was blij. Dat had geen oorzaak, dat was gewoon zo. Maar nu is het weer weg.

Toen, toen ik niet wilde slapen, had ik geen toekomstbeeld voorbij de achttien. Omdat ik geloofde dat je achttien moest zijn (hoe werken kinderhersenen…) om zelfmoord te kunnen plegen, was dat mijn eindpunt. Rond die tijd, even voor mijn achttiende verjaardag, ben ik ook “gedecompenseerd”, zoals ze dat in vaktermen noemen, en opgenomen.
Er was geen enkele gedachte voorbij de achttien. Daar had ik nog nooit over nagedacht, ik zou dood zijn, dat was een gegeven. Zelfs jaren na de achttien, stond ik stil. Ik werkte in een café, ik snoof me te pletter, de dagen gingen voorbij.

Toen Joris (ex-lief tussen mijn 16 en 23 of zo iets, af en aan) bij mij was, durfde ik voorzichtig, samen met hem, naar de toekomst kijken. Maar ik was zo moeilijk, denk ik, dat hij me niet meer kon verdragen. Ik denk wel dat bij de finale breuk iets heel fundamenteels gebroken is. Je kunt een been breken, maar je kunt ook mentale dingen breken.

Ook nu heb ik geen toekomstbeeld. Ik werk waar ik werk, met steeds meer tegenzin en steeds minder gevoel van betekenis. Dag na dag, weekend na weekend, doe ik hetzelfde (ongeveer). Ik kijk niet voorbij de volgende maand, daarna is het uurrooster nog niet gemaakt en is alles abstract. En dood, dood, doodeng.

Doodeng is een uitdrukking, maar ik kies ze met veel zorg. De dood ligt daar.

Ik ga nergens naartoe, ik werk nergens aan. Ik probeer gewoon te doen wat mensen van mij verwachten.

En niet te sterven.

Ervaring

Als je veel hebt gehuild, om het leven, dan kun je je worstelingen ombuigen tot een soort hulpstuk voor anderen. Daar bestaat een opleiding voor en dan ben je officieel ervaringsdeskundige. Want vandaag de dag moet je bewijzen met een attest dat je weet hoe het voelt. Zonder dat attest ben je gewoon… iemand. En gewoon iemand, die kan niks betekenen.

Een collega stelt voor dat ik dat ook volbreng, die opleiding, zodat mensen meer van mij zouden verdragen dat ik afwijk van de verpleegkundige norm. Ik wilde die opleiding al langer volgen, dat paste wel in mijn kraam. Maar het voelt als een mislukking. Dat ik niet gewoon als mezelf kan geaccepteerd worden of mijn werk doen. Dat er een extra attestje nodig is, om anders te mogen zijn.
Ze vinden mijn patiëntencontact te onthullend, of ze hebben daar vragen bij. Alsof ik dat per ongeluk doe, alsof dat een foutje is dat ik nog niet van mezelf doorhad. Dat kan geen bewuste ‘therapeutische’ keuze zijn. In de acutere opnamesector zagen de patiënten niet hoe erg ik afweek, in deze nieuwe afdeling zouden ze dat zogezegd wel zien en het er moeilijk mee hebben. Dat is flauwekul. Ik de acute opnamesector wisten mensen ook dat ik anders was, dat wisten zij erg goed. Het stoorde hen allerminst (sommigen fronsten, maar na een tijd leerden zij ook begrijpen hoe ik werkte).

Patiënten en hulpverleners worden door elkaar gevormd, je kunt het draaien of keren hoe je wilt, dat is zo. De hulpverlener is degene die samen met de hulpvrager op zoek gaat naar de mogelijkheden, de vaardigheden, de dromen, en die eruit haalt. Het één op één contact is zo nauw, zo intensief, dat je op den duur op elkaar bent ingesteld. Het vraagt vertrouwen, want vanaf dat moment kun je elkaar ook kwetsen.
Veel patiënten hebben mij ooit gekwetst, met uitspraken of met daden. En dan spraken wij daarover en dan vergaven wij elkaar. Als iets mij (en meestal ook anderen) verschrikkelijk op mijn systeem werkte (spraakwaterval terwijl ik werk of zo), dan kon ik dat zeggen, dan werd daarover gesproken en konden we op zoek naar een oplossing.

Wanneer ik verstoten word, dan doet dat mij pijn. Niemand vindt zoiets supertof. Soms heb ik daarover gesproken met collega’s, en was de consensus, ‘jij moet daarboven staan’. Wat ik absurd vind, want ik sta niet ‘boven’ een patiënt. Er is geen onderscheid, wat mij betreft, wat hen ‘zieker’ maakt, waardoor ik ‘gezond en geduldig’ moet zijn. Het is juist op het moment dat het contact nog veelvuldig is, tijdens de opname, dat je erop moet inzetten om hen klaar te maken voor relaties in de wereld hierbuiten. Dat je hen een spiegel moet voorhouden over hoe ze zijn en overkomen. In de wereld daarbuiten zal niemand ‘erboven’ staan, dus waarom moeten we hen nu in een artificieel klimaatje laten gedijen? Werken verdomme, als ik er ben, dan is dat werken. Dat doe ik niet expres, dat vloeit voort uit mijn onbewuste manier van zijn; er gebeuren onverwachte dingen, er worden dingen gezegd waarvan je niet precies weet wat het betekent, er is een ongemak. Tegelijk is er warmte en hulp, onvoorwaardelijk. Na een tijd weten ze dat.

Wanneer ik ben, dan ben ik. Daar wordt niet nagedacht, overwogen of gekozen. Maar sensitieve mensen (en dat zijn patiënten per definitie) voelen heus wel, wie ik ben, daarbinnen. Beter dan collega’s, meestal. De hele reden dat ervaringsdeskundigheid nu een opleving kent, is omdat de ongehinderde gelijkwaardigheid van de relatie (geen rollenverwarring bv) de basis is voor herstel.
Gekwetst worden als hulpverlener vergt moed, je moet heel dichtbij komen om het te voelen. Maar alleen zo kun je de patiënt écht helpen, hem jou ook laten helpen.

Gewoon

De mens is een sociaal dier, dat wil zeggen dat wij instinctief, vanuit een genetische predispositie, een vurige wens hebben om door een groep aanvaard te worden. De Westerse mens heeft echter ook een bijzonder complex sociaal systeem, en elke mens maakt van tientallen groepen tegelijk deel uit, en moet dus ook in al die groepen zijn rol correct kunnen opnemen; het gezin, de collega’s, de vrienden, de voetbalclub, …
Er is niks zo zwaar, zo beschadigend of kwellend, dan nergens bijhoren.

De groep op zich zorgt ervoor dat er bijna ‘vanzelf’ ongeschreven regels ontstaan, over hoe groepsleden zich dienen te gedragen. Als je iemand tegenkomt die je kent, dan is het de bedoeling dat je die persoon begroet. Er staat niemand bij om dat te controleren, en niemand kan je dwingen om dat uit te voeren. Maar toch doe je dat, omdat je “weet” dat dat moet.

Het deel uitmaken van een groep is eigenlijk het fundament om te kunnen bestaan. Ergens bij horen heb je als mens nodig, om te leren wie je bent aan de hand van interacties met anderen. Het is, als het ware, een basisrecht.
Een basisrecht dat nochtans veel mensen wordt ontzegd. Omdat ze raar doen. Omdat ze anders doen dan de anderen het altijd gedaan hebben. In het “buiten de groep vallen” voel je als buitenbeentje tegelijk een veroordeling; jij hoort niet in onze groep thuis, jij bent storend want ik snap jou niet. Dat is lang niet altijd zo bedoeld, maar vanuit de buitenstaanderspositie kun je dat zo niet zien.

Meteen komen dan extreme voorbeelden opdoemen van een volledig waanzinnige psychoot, maar dat hoeft niet zo te zijn. Zorgteams organiseren zich ook als groepen, ‘wij doen de dingen zo’, en als een nieuwe collega de dingen anders doet zal die worden aangesproken. Ik ben zelf zo’n typische collega die altijd allerlei dingen anders doet, dat overkomt mij voortdurend en ik ben me er zelf helemaal niet van bewust hoe deviant of afwijkend ik telkens blijk te zijn. Elke keer opnieuw ben ik stomverbaasd welk gedrag door anderen wordt opgemerkt als “vreemd”.
Ik maak het ‘buiten de groep vallen’, dat daaruit volgt, ook gemakkelijk mee. Het is niet simpel om als individu te weerstaan aan de druk van de groep. Ik wil erbij horen, net als iedereen, maar tegelijk lukt het me niet om me consequent te gedragen naar de ongeschreven regels van de groep.

Waarschijnlijk is het daarom dat ik me het lot van gestigmatiseerde patiënten erg aantrek. Wat ik meemaak is een fractie van wat deze mensen moeten doorstaan. Buitengekeken worden, toegesproken worden als een kleutertje, genegeerd worden, het zijn dingen die patiënten regelmatig meemaken -ik kan me niet voorstellen hoe dat voelt. En dan nog de maturiteit moeten opbrengen om zelf rustig te blijven en te denken “zucht, ze weten niet beter, ze bedoelen het niet zo”.
Of zelfs eraan gewoon worden, wat misschien nog erger is.